Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
12-3880 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of appellant reeds vanaf 6 augustus 1987, althans vóór 1 augustus 1988, als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt. Het antwoord op deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Appellant heeft weliswaar de Nederlandse nationaliteit, maar hij heeft niet eerder in Nederland gewoond. Hierdoor is appellant niet verzekerd geweest in de zin van de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/3880 AOW

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 mei 2012, 11/3944 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.C.M. van den Hoek, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2013. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Hoek. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren[in] 1960 op Curaçao, heeft bij formulier gedagtekend

2 december 2010 de Svb verzocht om hem een opgave te verstrekken van verzekeringstijdvakken voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2. Op 31 januari 2011 heeft de Svb aan appellant een zogeheten pensioenoverzicht toegezonden. Daarin is aangegeven dat appellant vanaf zijn 15e verjaardag op 28 juni 1975 tot en met 31 juli 1990 niet verzekerd is geweest.

1.3. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. In de loop van de procedure heeft hij een afschrift uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente Utrecht overgelegd, waaruit blijkt dat appellant zich op 6 augustus 1987 vanuit de Nederlandse Antillen in Nederland heeft gevestigd. Desgevraagd heeft appellant aan de Svb bij formulier gedagtekend 21 maart 2011 nadere gegevens verstrekt van belang voor het verzekerd zijn voor de AOW. Appellant heeft aangekruist dat hij naar Nederland is gekomen om te studeren en dat hij bij aankomst in Nederland helemaal nog niet wist hoelang hij in Nederland zou blijven. Daarop heeft de Svb aan appellant verzocht om nadere gegevens van belang voor de verzekering voor de AOW. Bij brief gedateerd 11 april 2011 heeft appellant verklaard dat hij naar Nederland is gekomen om te studeren en dat er voor zijn komst geen andere redenen waren. Zijn familie is in Curaçao gebleven. Hij heeft besloten zich in Nederland te vestigen na het afstuderen toen hij een vaste baan had. Na aankomst in Nederland woonde hij op een (studenten)kamer. Hij kreeg de eerste jaren een gecombineerde studiebeurs van Curaçao en Nederland. Appellant is op 1 maart 1997 voor het eerst in Nederland gaan werken.

1.4. Op 1 augustus 2011 is er een hoorzitting gehouden. Bij brief van 24 augustus 2011 heeft appellant hierop gereageerd. Door appellant is opgemerkt dat hij primair naar Nederland is gekomen om te wonen en vervolgens om te studeren. Hij wijst erop dat hij destijds 27 jaar oud was. Hij is gekomen op grond van een zogenaamde gekoppelde studiebeurs: een basisbeurs uit Nederland en een aanvullende beurs/lening uit de Antillen. Zijn studentenkamer was geregeld door de Studiecommissie Nederlandse Antillen. Via de Stichting Welzijnsbevordering Antillianen deed hij vrijwilligerswerk. Bij aanvang van zijn verblijf werd hij meteen lid van de roeivereniging Proteus-Eretes. Tijdens zijn studie is hij één keer voor familiebezoek terug geweest in de Antillen. Zijn vriendin, en huidige vrouw, is in 1992 naar Nederland gekomen. Twee zusters van appellant woonden destijds (en nu) in Nederland. Zijn intentie bij vertrek uit de Antillen was om zich blijvend in Nederland te vestigen. Appellant is met een enkele reis vliegticket naar Nederland gekomen.

1.5. Bij besluit van 19 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar gegrond verklaard. Appellant is als ingezetene van Nederland aangemerkt vanaf 1 augustus 1988, de datum één jaar na vestiging in Nederland. Volgens de Svb was de persoonlijke band van duurzame aard van appellant met Nederland één jaar na vestiging voldoende om hem aan te merken als ingezetene van Nederland.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij is met de Svb van oordeel dat appellant vóór

1 augustus 1988 geen ingezetene was van Nederland.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat van een persoonlijke band al sprake is vanaf 6 augustus 1987. Appellant, die de Nederlandse nationaliteit heeft, staat sinds

6 augustus 1987 ingeschreven in de GBA. Hij woont sindsdien ononderbroken in Nederland. Hij is naar Nederland gekomen om hier te wonen en er door middel van een studie een toekomst op te bouwen. Over de periode in geding heeft hij geen recht op een oudedagsvoorziening in Curaçao.


4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of appellant reeds vanaf 6 augustus 1987, althans vóór

1 augustus 1988, als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt.

4.3.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.4.

In zijn arresten van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.

4.5.

De Raad gaat bij deze beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is geboren en getogen op Curaçao. Appellant is eind juli 1987, op 27 jarige leeftijd, naar Nederland gekomen. Hij heeft zich op

6 augustus 1987 laten inschrijven in de GBA. Hij had niet eerder in Nederland gewoond. Zijn familie en zijn vriendin (zijn latere echtgenote) zijn in Curaçao gebleven. Wel wonen twee zusters van appellant in Nederland. Als reden voor zijn komst naar Nederland heeft appellant meerdere malen aangegeven dat hij naar Nederland is gekomen voor studie. Zijn studiebeurs (lening) werd mede gefinancierd vanuit de Nederlandse Antillen. Vanuit de Nederlandse Antillen was ook geregeld dat bij aankomst in Nederland appellant de beschikking had over een studentenkamer. Volgens eigen opgave was de intentie van appellant bij zijn komst naar Nederland niet op vestiging hier te lande gericht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb appellant aan deze (eerste) verklaring heeft mogen houden.

4.6.

In de hierboven omschreven omstandigheden heeft de Svb geen duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland hoeven aan te nemen vanaf 6 augustus 1987, althans enige datum vóór 1 augustus 1988. Van belang hierbij is met name dat appellant, weliswaar de Nederlandse nationaliteit heeft, maar niet eerder in Nederland heeft gewoond. En verder dat appellant om studieredenen naar Nederland is gekomen, terwijl uit de eigen verklaringen van appellant en de omstandigheden rond zijn komst naar Nederland (studiefinanciering, studentenkamer) kan worden afgeleid dat appellant bij aankomst in Nederland (nog) niet de intentie had zich blijvend hier te lande te vestigen. Dat appellant sinds 6 augustus 1987 stond ingeschreven in de GBA, dat hij direct bij aankomst een studentenkamer ter beschikking had en dat hij toen meteen een aantal sociale activiteiten heeft ontplooid, maakt niet dat uit het geheel van feiten en omstandigheden niet de conclusie moet worden getrokken dat, in de periode in geding, appellant (nog) geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Het gestelde omtrent het ontbreken van een oudedagsvoorziening in Curaçao voor de periode in geding maakt dit niet anders.

4.7.

Geconcludeerd moet worden dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

De Raad acht geen termen aanwezig om één van de partijen op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van de procedure.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) J.R. Baas

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

TM