Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
12-3803 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is uitsluitend nog in geding de vraag of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat haar dochter in het eerste kwartaal van 2010 tot het huishouden van appellante heeft behoord. De Svb heeft toereikend onderzoek verricht en appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter gedurende het eerste kwartaal van 2010 tot het huishouden van appellante heeft behoord. De Svb heeft daarom terecht geweigerd om appellante over dit kwartaal kinderbijslag voor haar dochter toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/3803 AKW

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

16 mei 2012, 12/343 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2013. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij aanvraagformulier van 17 januari 2011 heeft appellante kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor haar dochter[naam dochter], geboren

[in] 2000. Deze aanvraag is gehonoreerd met ingang van het tweede kwartaal van 2010.

1.2. Bij besluit van 4 januari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen de weigering van de Svb om haar eerder dan met ingang van het tweede kwartaal van 2010 kinderbijslag voor [naam dochter] toe te kennen ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam dochter] al tot haar huishouden behoorde voordat [naam dochter] in april 2010 in de gemeentelijke basisadministratie (gba) aan het adres van appellante werd ingeschreven.

4.1.

De Raad overweegt het volgende.


4.2. Op grond van artikel 7 van de AKW heeft een verzekerde recht op kinderbijslag voor een eigen kind dat jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, of, onder bepaalde voorwaarden, jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.

4.3.

In hoger beroep is uitsluitend nog in geding de vraag of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat haar dochter [naam dochter] in het eerste kwartaal van 2010 tot het huishouden van appellante heeft behoord.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak is het feitelijk samenwonen bepalend voor de beantwoording van de vraag of een kind behoort tot het huishouden van een verzekerde.

4.5.

Niet in geschil is dat [naam dochter] over het eerste kwartaal van 2010 niet in de gba ingeschreven stond aan het adres van appellante. Verder heeft appellante, ondanks herhaalde daartoe strekkende verzoeken van de Svb, geen gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat [naam dochter] gedurende deze periode feitelijk bij haar heeft gewoond. De Raad kent aan de door appellante overgelegde kopie├źn van een aantal bladzijden uit het groeiboek van [naam dochter], een briefje van peuterspeelzaal Jip en Janneke en een overzicht van de inentingen die [naam dochter] heeft gehad, niet dezelfde betekenis toe als appellante. Deze gegevens hebben namelijk geen betrekking op het eerste kwartaal van 2010, de periode in geding. De Svb heeft toereikend onderzoek verricht en appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat [naam dochter] gedurende het eerste kwartaal van 2010 tot het huishouden van appellante heeft behoord.

De Svb heeft daarom terecht geweigerd om appellante over dit kwartaal kinderbijslag voor [naam dochter] toe te kennen.

4.6.

Uit punt 4.2 tot en met punt 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) J.R. Baas

TM