Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
12-3530 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In dit geding is louter in geschil of de vaststelling van de Svb, dat appellante de periode in geding niet verzekerd is geweest voor de AOW, in rechte stand houdt. Deze vraag wordt door de Raad bevestigend beantwoord. Appellante kon in de periode in geding niet worden aangemerkt als een verzekerde in de zin van de AOW, appellante was in die periode geen ingezetene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/3530 AOW

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 mei 2012, 12/106 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2013. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1960 geboren in Ghana. In 1995 is haar de Nederlandse nationaliteit verleend.

1.2. Op 28 maart 2011 heeft appellante bij de Svb een pensioenoverzicht aangevraagd.

1.3. Bij pensioenoverzicht van 13 juli 2011 heeft de Svb vastgesteld dat appellante van

1 mei 1975 tot en met 30 juli 1991 niet verzekerd is geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.4. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het pensioenoverzicht van 13 juli 2011. Dit bezwaar is bij besluit van 28 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij haar beoordeling het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) als uitgangspunt gehanteerd.

3.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij in de periode van 14 april 1988 tot en met 30 juli 1991 al ingezetene van Nederland was. Ter onderbouwing van deze stelling beroept appellante zich op een in de beroepsprocedure overgelegd uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam van 23 februari 1999 waarop is vermeld dat appellante zich op 14 april 1988 in Nederland heeft gevestigd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding is louter in geschil of de vaststelling van de Svb, dat appellante van

14 april 1988 tot en met 30 juli 1991 niet verzekerd is geweest voor de AOW, in rechte stand houdt. Nu appellante niet te kennen heeft gegeven dat zij in die periode in Nederland heeft gewerkt, staat daarbij de vraag centraal of appellante over de periode van 14 april 1988 tot en met 30 juli 1991 is aan te merken als ingezetene van Nederland.

4.2.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

In zijn arrest van 21 januari 2011, LJN BP1466, heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

4.4.

Ter onderbouwing van haar stelling, dat zij in de periode van 14 april 1988 tot en met

30 juli 1991 ingezetene van Nederland was, beroept appellante zich op een uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam van 23 februari 1999. Op dit uittreksel is vermeld dat appellante zich op 14 april 1988 in Nederland heeft gevestigd, maar niet op welk adres of welke adressen appellante tussen 14 april 1988 tot en met

30 juli 1991 heeft gewoond. Verder heeft appellante, ondanks herhaalde daartoe strekkende verzoeken van de Svb, geen gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid waar zij tussen 14 april 1988 tot en met 30 juli 1991 feitelijk heeft verbleven. Evenmin heeft appellante de Svb anderszins aanknopingspunten geboden voor een verificatie van haar stellingname. Onder deze omstandigheden hoeft uit het uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam waarop appellante zich beroept niet te worden afgeleid dat er in de periode in geding sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de appellante en Nederland.



4.5. De Svb heeft toereikend onderzoek verricht en niet ten onrechte aangenomen dat appellante over de periode van 14 april 1988 tot en met 30 juli 1991 niet verzekerd is geweest voor de AOW.

4.6.

Uit punt 4.2 tot en met punt 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013.


(getekend) H.J. Simon

(getekend) J.R. Baas

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

TM