Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
12-4307 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvragen bijzondere bijstand. Overbruggingsuitkering: De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat van een periode zonder inkomsten, welke periode ter voorkoming van een liquiditeitstekort zou moeten worden overbrugd, geen sprake is geweest. Verhuiskosten: Mede in aanmerking genomen dat appellante tot 1 september 2010 thuiswonend was en dus nog geen zelfstandige huishouding voerde, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing van haar goederen niet in twee ritten naar Arnhem kon worden verricht. Niet kan worden gezegd, nu sprake was van privé-vervoer, dat de door het college gehanteerde kilometervergoeding als inadequaat moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/4307 WWB, 12/4308 WWB

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

18 juni 2012, 12/90 en 12/91 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar moeder,[naam moeder], hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2013. Voor appellante is verschenen[naam moeder]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.R. Schipperheijn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft, met het oog op haar studie aan de universiteit van Nijmegen, met ingang van 15 mei 2010 woonruimte gehuurd in Arnhem. Zij staat vanaf 1 september 2010 ingeschreven in die gemeente.

1.2.

Appellante heeft op 28 september 2010 bijzondere bijstand aangevraagd voor overbruggingskosten verband houdende met het achteraf betalen van de algemene bijstand, waardoor er te weinig geld is om de lopende maand door te komen, zoals nader toegelicht in haar brief van 29 augustus 2010. Bij besluit van 1 november 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 6 december 2011 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt in hoofdzaak ten grondslag dat overbruggingskosten zich niet voordoen, aangezien appellante in september 2010 studiefinanciering is gaan ontvangen en dit inkomen aansluit op de bijstand die het college tot en met augustus 2010 aan appellante heeft verleend en laatstelijk aan haar heeft uitbetaald op 6 september 2010.

1.3.

Appellante heeft op 28 september 2010 tevens bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van verhuizing van haar goederen van de ouderlijke woning in Kessel naar haar woonruimte in Arnhem, zoals toegelicht in haar brief van 29 augustus 2010. Bij besluit van

1 november 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 6 december 2011 (bestreden besluit 2), heeft het college bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 68,09. Daarbij is het college uitgegaan van 2 retourritten Kessel - Arnhem en van een bedrag per kilometer van € 0,19.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

De overbruggingsuitkering

4.2.

Appellante heeft tot 1 september 2010 thuis gewoond. Zij ontving aanvankelijk een toelage op grond van de WTOS en in aanvulling daarop algemene bijstand van het college. Laatstelijk, over de maand augustus 2010, ontving appellante, na beëindiging van de

WTOS-toelage, een bijstandsuitkering. Niet in geschil is dat appellante per 1 september 2010 aanspraak had op studiefinanciering. Voorts staat vast dat aan appellante in de maand september 2010 zowel haar uitkering over de maand augustus 2010 als het haar nog toekomende vakantiegeld is uitbetaald. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat van een periode zonder inkomsten, welke periode ter voorkoming van een liquiditeitstekort zou moeten worden overbrugd, geen sprake is geweest. Van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB is dan ook geen sprake, zodat het college niet bevoegd was tot verlening van bijzondere bijstand.

4.3.

Appellante heeft nog aangevoerd dat sprake is geweest van extra kosten, zoals extra kosten van huur van woonruimte in Arnhem vanaf mei 2010 en allerlei kosten die verband houden met de overgang van inwoning bij haar ouders naar de situatie van een uitwonende student en op het ontbreken van aanspraak op langdurigheidstoeslag. Deze beroepsgronden gaan evenwel het bestek van deze procedure te buiten, waarin het college gelet op de aanvraag terecht slechts heeft bezien of een overbruggingsuitkering in verband met het tijdelijk ontbreken van (voldoende) periodiek inkomen noodzakelijk was.

De verhuiskosten

4.4.

Kosten van verhuizing moeten volgens vaste rechtspraak (CRvB 12 juli 2011,

LJN BR2237) worden gerekend tot de incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen uit bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Dit is alleen anders indien individuele bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. In de situatie van appellante heeft het college vastgesteld dat daarvan sprake was en dat appellante ook geen draagkracht had om in deze kosten te voorzien.

4.5.

In geschil is het antwoord op de vraag of het bedrag van de toegekende bijzondere bijstand toereikend was. Het college is uitgegaan van twee retourritten. Appellante vindt dat verlening van bijzondere bijstand had moeten plaatsvinden op basis van vijf retourritten en een hogere kilometerprijs.

4.6.

Evenals het college en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bij 4.5 geformuleerde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat appellante gebruik heeft gemaakt van een voertuig (een bedrijfsbusje) van haar ouders, zodat de huur van een auto niet nodig was. Verder dienen buiten beschouwing te blijven de twee ritten van Kessel naar Arnhem die appellante zegt te hebben gemaakt in verband met het opknappen van haar woonruimte. Daarbij gaat het immers niet om verhuiskosten. Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zij met vergoeding van de kosten op basis van twee retourritten niet tekort is gedaan. Aangezien sprake is geweest van een aanvraag om bijzondere bijstand nadat de verhuizing had plaatsgevonden en van vervoer met een eigen voertuig waardoor geen nota van een autoverhuurbedrijf voorhanden is, moest (achteraf) een inschatting worden gemaakt van de vervoerbewegingen, onder meer aan de hand van de in bezwaar door appellante overgelegde lijst met goederen. Mede in aanmerking genomen dat appellante tot 1 september 2010 thuiswonend was en dus nog geen zelfstandige huishouding voerde, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing van haar goederen niet in twee ritten naar Arnhem kon worden verricht. Niet kan worden gezegd, nu sprake was van

privé-vervoer, dat de door het college gehanteerde kilometervergoeding als inadequaat moet worden beschouwd. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 daarom terecht in stand gelaten.

Algemeen

4.7.

Appellante heeft nog aangevoerd dat de rechtbank ter zitting veel begrip toonde voor haar situatie en kritische vragen had voor het college, waarvan zij niets terug heeft kunnen vinden in de uitspraak. Zij vermoedt dat de uitspraak onder tijdsdruk door de griffier, zonder voldoende aandacht daarvoor van de rechter zelf, is opgesteld zodat de uitspraak niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Voor de juistheid van dit standpunt zijn geen aanknopingspunten te vinden. Dat appellante, gelet op de gang van zaken op de zitting, wellicht een positieve indruk heeft gekregen over de afloop van de zaak, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Daarmee is immers nog niets gezegd over het uiteindelijke oordeel van de rechtbank. In haar uitspraak heeft de rechtbank de feiten van deze zaken, de standpunten van partijen en het (wettelijk) kader weergegeven. In overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:77, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vermeldt de uitspraak tevens de gronden van de beslissing. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

Conclusie

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) T.A. Meijering

HD