Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
11-2677 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekeningen. Uit de bankafschriften kan niet worden afgeleid dat de gestorte bedragen bestemd waren voor anderen dan de rekeninghouder. In het dossier ontbreken verder objectieve en verifieerbare stukken die het standpunt van appellanten over de herkomst van de tegoeden ondersteunen. Appellanten hebben geen administratie bijgehouden van de stortingen. De in hoger beroep overgelegde reconstructies met betrekking tot de gestorte bedragen en verklaringen over de herkomst daarvan bieden niet de benodigde duidelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/2677 WWB, 11/2678 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 maart 2011, 10/3055 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vleesenbeek. Het college heeft zich, daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 29 maart 2006, met een onderbreking van 15 juni 2007 tot 14 september 2007, bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst van 17 september 2009 over rentebijschrijvingen op een tweetal bij het college niet bekende bankrekeningen van appellant heeft de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader zijn appellanten opgeroepen voor een gesprek en is hun gevraagd bankafschriften in te leveren. Daaruit is gebleken dat het saldo op beide bankrekeningen bij aanvang van de bijstand ruim €12.000,-- bedroeg en nadien regelmatig stortingen hebben plaatsgevonden. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 27 januari 2010.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor college aanleiding geweest om bij vier afzonderlijke besluiten van 22 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juni 2010 (bestreden besluit), de bijstand over de periodes van 29 maart 2006 tot en met 31 juli 2006, 1 juni 2007 tot en met 31 december 2007, 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en 1 februari 2009 tot en met 31 juli 2009 te herzien (lees: deels in te trekken en deels te herzien) en de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 15.363,43 van appellanten terug te vorderen. De besluitvorming in bezwaar berust op de overweging dat appellanten ten onrechte of teveel bijstand hebben ontvangen omdat het vermogen van appellanten vermeerderd met het vermogen op de twee ten onrechte niet opgegeven bankrekeningen hoger was dan het voor hen geldende vrij te laten vermogen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij betwisten dat de tegoeden op de bankrekeningen tot hun vermogen behoorden. Deze bankrekeningen stonden weliswaar op naam van appellant, maar de tegoeden waren voor het overgrote deel van [E.] (E), de broer van appellant. E heeft van 2001 tot eind 2008 illegaal in Nederland verbleven en gewerkt. Omdat E geen bankrekening kon openen, gaf hij appellant geld in bewaring, waarna appellant dit geld op de bankrekeningen stortte.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellanten daarin zijn geslaagd.

4.2.

Uit de bankafschriften kan niet worden afgeleid dat de gestorte bedragen bestemd waren voor anderen dan de rekeninghouder. In het dossier ontbreken verder objectieve en verifieerbare stukken die het standpunt van appellanten over de herkomst van de tegoeden ondersteunen. Appellanten hebben geen administratie bijgehouden van de stortingen. De in hoger beroep overgelegde reconstructies met betrekking tot de gestorte bedragen en verklaringen over de herkomst daarvan bieden niet de benodigde duidelijkheid. De gegevens op het door appellanten gemaakte overzicht wijken af van de gegevens op het door E gemaakte overzicht en beide overzichten komen niet overeen met het overzicht van de stortingen dat in de rapportage van 27 januari 2010 is opgenomen. Dat geldt ook voor de twee bedragen waarover een bekende van E uit België en de toenmalige zaakvoerder van de bakkerij waar E heeft gewerkt, hebben verklaard. De verklaring van de vriend van E is niet herleidbaar naar gegevens op de bankrekeningen. Met deze stukken hebben appellanten dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de tegoeden op de twee bankrekeningen aan E toebehoorden en geen bestanddeel vormden van het vermogen waarover zij de beschikking hadden.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.C.R. Schut en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2013.

(getekende) J.C.F. Talman

(getekend) V.C. Hartkamp

HD