Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2013
Datum publicatie
22-07-2013
Zaaknummer
11-7177 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nader vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2005. Geen onzorgvuldig onderzoek. De enkele omstandigheid echter dat het Uwv niet meer beschikt over de officiële instroomlijsten, maakt nog niet dat er sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Bij gebreke aan officiële instroomlijsten, staat het het Uwv vrij om op andere wijze inzichtelijk te maken hoe hij tot de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor 2005 is gekomen. Het Uwv heeft met behulp van het bij het besluit van 29 november 2010 gevoegde Excelbestand concreet onderbouwd en op deugdelijke wijze inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie voor 2005 is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

11/7177 WAO

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
24 november 2011, 11/764 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Stichting [naam stichting], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Bekkum, senior juridisch adviseur bij Robidus Adviesgroep B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Bekkum. Het Uwv is, met kennisgeving, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.2. Appellante heeft met ingang van 1 januari 2002 de activiteiten voortgezet en het personeel overgenomen van een viertal nader in de aangevallen uitspraak genoemde stichtingen. Over de jaren 2002, 2003 en 2004 zijn ten aanzien van appellante de gedifferentieerde premies ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vastgesteld op respectievelijk 2,98%, 3,52%, en 2,66%. Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het Uwv de gedifferentieerde WAO-premie voor appellante over het jaar 2005 vastgesteld op 0,43%. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend zodat dit in rechte vaststaat.

1.3. Nadat namens appellante bij het Uwv onder meer WAO-instroomlijsten over genoemde jaren zijn opgevraagd, heeft het Uwv nader onderzoek ingesteld. Hierbij is gebleken dat bij de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie over het jaar 2005 (0,43%) is verzuimd de gegevens van de overgenomen stichtingen te verwerken.

1.4. Bij besluit van 29 november 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat het besluit van 28 januari 2005 over het premiejaar 2005 op onjuiste gronden is genomen, en heeft het Uwv de gedifferentieerde WAO-premie over het jaar 2005 opnieuw vastgesteld op 1,43%. Dit heeft geleid tot een correctienota voor het jaar 2005 van € 99.680,28.

1.5. Het door appellante tegen het besluit van 29 november 2010 gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank - na het van toepassing zijnde wettelijk kader, waaronder de artikelen 11 en 13 van de CSV, te hebben weergegeven - het volgende overwogen.

2.1.

Het besluit van 29 november 2010 moet worden geduid als een nieuw besluit, waarbij het oorspronkelijke besluit van 28 januari 2005 is ingetrokken. Het nieuwe besluit dient inhoudelijk te worden getoetst. Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is hier niet van toepassing.

2.2.

Van verjaring als bedoeld in artikel 13 van de CVS is geen sprake nu het nieuwe besluit is genomen voor 1 januari 2011. Het Uwv kan in het algemeen niet de bevoegdheid worden ontzegd om op eerdere besluitvorming terug te komen, ook al is dit ten nadele van appellante. Wel dient hierbij acht te worden geslagen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel.

2.3.

Vaststaat dat er geen officiële gegevens meer zijn aan de hand waarvan de gedifferentieerde WAO-premie over 2005 is herzien. Indien de oorspronkelijke instroomlijsten niet als bijlage bij het oorspronkelijke besluit (Raad: van 28 januari 2005) waren gevoegd, dan had het op de weg van appellante gelegen om de aan het oorspronkelijke besluit ten grondslag liggende stukken op te vragen. Nu appellante dit destijds niet heeft gedaan, doch heeft berust in het oorspronkelijke besluit, komt dit voor haar risico. Bovendien kon, aldus de rechtbank, appellante aan de hand van het door het Uwv overgelegde Excelbestand controleren of de aan haar toegerekende personen terecht aan haar zijn toegerekend. Hierop staan burgerservicenummers die zijn terug te voeren tot de administratie van appellante of haar rechtsvoorgangers. De stelling dat het Uwv ten onrechte personen aan haar heeft toegerekend wordt door de rechtbank als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

2.4.

De stelling van appellante dat zij aan de hand van het Excelbestand niet kon vaststellen dat er sprake is van een Arbeidsongeschiktheidslast (AO-last) en dat zij mocht vertrouwen op een AO-last van nihil, acht de rechtbank niet juist. Bij het toerekenen van de AO-last dient uitgegaan te worden van de daadwerkelijk betaalde WAO-uitkering. Dit is in het besluit van 28 januari 2005 niet gebeurd. Het beroep van appellante op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalt derhalve.

2.5.

De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat het Uwv terecht de gedifferentieerde WAO-premie 2005 heeft herzien.

3.

In hoger beroep heeft appellante volstaan met een verwijzing naar haar gronden in beroep. Kort gezegd stelt appellante zich op het standpunt dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest en dat deze geen blijk geeft van een juiste waardering van haar (financiële) belangen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en geoordeeld, zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van de onderhavige uitspraak en maakt deze overwegingen tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt de Raad nog als volgt.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante de in rechtsoverweging 1.2 genoemde stichtingen heeft overgenomen en gehouden is tot betaling van gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2005 ten behoeve van de werknemers van de overgenomen stichtingen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante erkend dat de oorspronkelijk vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie voor 2005 van 0,43% relatief laag is ten opzichte van de vastgestelde WAO-premies over de jaren 2002 tot en met 2004 en dat bij de premievaststelling voor het jaar 2005 klaarblijkelijk is verzuimd om (alle) rechten te betrekken. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat niet wordt betwist dat (een hogere) gedifferentieerde WAO-premie voor het jaar 2005 is verschuldigd, maar dat er onzorgvuldig onderzoek is verricht door het Uwv naar de hoogte van de wel verschuldigde WAO-premie voor 2005.

4.3.

De enkele omstandigheid echter dat het Uwv niet meer beschikt over de officiële instroomlijsten, maakt nog niet dat er sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Bij gebreke aan officiële instroomlijsten, staat het het Uwv vrij om op andere wijze inzichtelijk te maken hoe hij tot de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie voor 2005 is gekomen. Het Uwv heeft met behulp van het bij het besluit van 29 november 2010 gevoegde Excelbestand concreet onderbouwd en op deugdelijke wijze inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie voor 2005 is gekomen. Het ligt dan op de weg van appellante om deze gegevens gemotiveerd te betwisten, temeer omdat de hiertoe benodigde informatie binnen haar invloedssfeer ligt danwel behoort te liggen. Ook in hoger beroep heeft appellante hiertoe niets aangevoerd. Dat bij de rechtsvoorgangers van appellante deze informatie niet meer voorhanden is, komt voor haar rekening en risico.

4.4.

Uit de rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.W. Schuttel en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2013.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) D. Heeremans

NW