Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
12-1358 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen of onvoldoende inlichtingen verstrekt over verblijf buiten Nederland en over inkomsten en vermogen in het buitenland, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

12/1358 WWB

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
1 februari 2012, 11/6099 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2013. Voor appellant is verschenen mr. Van Woerden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vukovic.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1 mei 1997 tot 1 september 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Ingaande 1 april 1999 heeft het college appellant op grond van zijn medische situatie ontheven van alle arbeidsverplichtingen. Appellant heeft vanaf de toekenning steeds opgegeven dat hij woonachtig is in de gemeente ’s-Gravenhage.

1.2.

In 2003 heeft het college vastgesteld dat appellant op 21 november 1998 is gehuwd met [naam echtgenote] Appellant heeft toen tegenover het college verklaard dat hij nooit met zijn echtgenote heeft samengewoond. Het college heeft hierop de bijstandsverlening naar de norm voor een alleenstaande voortgezet.

1.3.

Naar aanleiding van een in 2009 ontvangen anonieme melding dat appellant niet zou wonen op het door hem opgegeven adres in ’s-Gravenhage heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente ’s-Gravenhage (afdeling Bijzonder Onderzoek) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek onder meer het ministerie van Buitenlandse Zaken via het Internationaal Bureau Fraude Informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verzocht een onderzoek in de Verenigde Staten in te stellen. Dat onderzoek is verricht door een vertrouwenspersoon die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapportage met de titel “Results of Investigation”. Uit die rapportage komt onder meer naar voren dat appellant op twee locaties in Maryland woonruimte heeft gehuurd (in Towson en Baltimore), dat appellant en zijn echtgenote sinds 18 oktober 2004 eigenaar zijn van een woning in [plaatsnaam], Pennsylvania, dat appellant van 1 januari 2005 tot 9 mei 2007 eigenaar was van een woning in [plaatsnaam], Maryland, en dat appellant en zijn echtgenote ten tijde van het onderzoek nog altijd eigenaar zijn van de woning in [plaatsnaam]. Verder vermeldt de rapportage dat appellant in dienst is bij het automobielbedrijf [naam bedrijf] in[plaatsnaam], Pennsylvania.

1.4.

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken vanaf 1 juli 1997 en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 154.586,94 van hem teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, ondanks herhaalde verzoeken, geen of onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn verblijf buiten Nederland en over zijn inkomsten en vermogen in het buitenland, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.5.

Bij besluit van 21 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 13 januari 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen - voor zover hier van belang - dat op grond van de informatie in de Results of Investigation en wat appellant daarover in bezwaar en ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, moet worden aangenomen dat appellant in de periode in geding op verschillende plaatsen in de Verenigde Staten heeft gewoond, dat hij daar diverse vermogensrechtelijke transacties heeft verricht en over woningen beschikte en daar werkzaam was. Verder heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellant het college uit eigen beweging van zijn reizen naar en de duur van zijn verblijf in de Verenigde Staten op de hoogte heeft gesteld en dat appellant het college niet uit eigen beweging heeft geïnformeerd over de aankoop van woningen en zijn werkzaamheden aldaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van de gehele periode in geding zoveel onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie van appellant bestaat dat het recht van appellant op bijstand in deze periode niet kan worden vastgesteld.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond dat het college niet van de informatie in de Results of Investigation mocht uitgaan, omdat het onvoldoende met stukken is onderbouwd, de opsteller ervan niet bekend is en het rapport niet is ondertekend, slaagt niet, reeds omdat, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, appellant de bevindingen van dat rapport niet of nauwelijks heeft betwist. Dat geldt in elk geval voor de aankoop en het bezit van woningen in [naam echtgenote] en [plaatsnaam]. Verder heeft appellant ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij in Baltimore een woning heeft gehuurd en dat hij in de periode in geding voor het automobielbedrijf [naam bedrijf] heeft gewerkt.

4.2.

De beroepsgrond dat, kort samengevat, het college en de rechtbank ten onrechte zijn uitgaan van 1 juli 1997 als aanvangsdatum van de intrekking en terugvordering en ten onrechte de gehele periode in aanmerking hebben genomen, slaagt evenmin. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust dat ten aanzien van de gehele periode in geding zoveel onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie van appellant bestaat dat het recht van appellant op bijstand in deze periode niet kan worden vastgesteld. Daarnaast bestaat onduidelijkheid over de financiële situatie van appellant in die periode. Evenals de rechtbank kent de Raad hierbij zwaarwegende betekenis toe aan de Results of Investigation en wat appellant daarover heeft verklaard. Wat dit laatste betreft, heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat appellant in de bezwaarprocedure heeft verklaard dat hij in 1997 naar de Verenigde Staten is afgereisd, daar vervolgens bij een sekte genaamd “The Bible Speaks” is terecht gekomen, hij in 1997 bijstand heeft aangevraagd, omdat hij in die sekte zat en daar geen inkomen had, en zich pas in 2006 blijvend van de sekte heeft kunnen losmaken. Hoewel niet uitgesloten kan worden geacht dat appellant, zoals hij stelt, in de periode in geding regelmatig heen en weer heeft gereisd tussen de Verenigde Staten en Nederland, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat, en zo ja, wanneer hij in die periode langdurig in Nederland heeft verbleven. Dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij, gezien zijn arbeidsongeschiktheidsstatus, acht maanden per jaar in het buitenland mocht verblijven moet, wat daarvan zij, voor zijn rekening en risico blijven.

4.3.

Door onvoldoende informatie te verstrekken over zijn verblijf in het buitenland, zijn woon- en leefsituatie en zijn financiële situatie heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid gedurende de gehele in geding zijnde periode niet in staat is geweest de inlichtingenverplichting na te komen dan wel dat hem dit om die reden niet kan worden verweten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet met medische bescheiden onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn psychische gesteldheid gedurende de in geding zijnde periode niet in staat was om zelf de juiste informatie aan het college te verstrekken of derden daarvoor in te schakelen. Het beroep van appellant op het gegeven dat hij in 1999 op grond van zijn medische situatie voor onbepaalde tijd arbeidsongeschikt is verklaard en is ontheven van alle arbeidsverplichtingen is daarvoor onvoldoende.

4.4.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat het college heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel, aangezien het college in het verleden niet of nauwelijks onderzoek heeft gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand en vrijwel uitsluitend schriftelijk met appellant heeft gecommuniceerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op appellant rustte immers ingevolge de Algemene bijstandswet en de WWB de verplichting om uit eigen beweging onverwijld melding te maken van alles wat van invloed op zijn bijstandsuitkering kan zijn. Zoals in 4.3 is overwogen, is appellant die verplichting niet nagekomen. Als gevolg daarvan heeft het college ten onrechte bijstand verleend over de hier in geding zijnde periode. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het college destijds over concrete aanwijzingen beschikte dat appellant in het buitenland verbleef. Onder die omstandigheden kan geen sprake zijn van een in rechte te honoreren verwachting dat de reeds verleende bijstand onaantastbaar zou zijn. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2010, LJN BM9682, waarop appellant zich heeft beroepen, ziet op een geheel ander geval dan dat van appellant, te weten de beëindiging van een bestendige subsidierelatie wegens gewijzigde inzichten. Reeds om die reden heeft die uitspraak geen betekenis voor het hier voorliggende geval.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en W.F. Claessens en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2013.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) V.C. Hartkamp

HD