Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BZ3638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
25-03-2013
Zaaknummer
11/2483 WWB-T e.v.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand voor gemaakte kosten van rechtsbijstand. Artikel 35, eerste lid, van de WWB biedt geen ruimte voor de beoordeling of een belanghebbende zich verwijtbaar heeft gedragen en of dit verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat hij een beroep op de bijzondere bijstand moet doen. Het college heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat de advocaatkosten onder het onder 4.9 genoemde beleid zouden kunnen vallen. Het bestreden besluit ontbeert een draagkrachtige motivering ten aanzien van zijn subsidiaire grondslag. Opdracht tot herstellen van het gebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2483 WWB-T, 11/2484 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 maart 2011, 10/4364 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. en B. te C.]

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)

Datum uitspraak: 18 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Beers en vergezeld door A. Dahmani, tolk in de Berberse taal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Bons en

A.A.A.J. Vrolijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1 Appellanten ontvangen vanaf 1987 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 29 januari 2009 heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 maart 2009 tot 1 juni 2009 met 100% verlaagd. Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 augustus 2009 tot 1 februari 2010 met 100% verlaagd. Aan beide besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid voor een periode van zes maanden of langer te aanvaarden. Na bezwaar, beroep en hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 6 maart 2012, LJN BV9570, deze maatregelen bepaald op een verlaging van de bijstand van appellanten met 20% met ingang van 1 maart 2009 voor de duur van één maand en met 30% met ingang van 1 augustus 2009 voor de duur van één maand op de grond dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

1.3. Op 15 januari 2010 hebben appellanten bijzondere bijstand aangevraagd voor in 2008 en 2009 gemaakte kosten van rechtsbijstand, te weten de verschuldigde eigen bijdrage bij een achttal toevoegingen (advocaatkosten).

1.4. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand met toepassing van artikel 18 van de WWB afgewezen.

1.5. Bij besluit van 25 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college, toepassing gevend aan de artikelen 18 en 43, eerste lid, van de WWB en het gemeentelijk beleid, het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 26 januari 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij overwogen dat appellanten in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag om bijzondere bijstand een maatregel opgelegd hebben gekregen omdat appellant zich passief en negatief heeft opgesteld ten aanzien van het realiseren van uitstroom. Appellant heeft zich daarmee willens en wetens gemanoeuvreerd in een situatie waarbij hij voor de voorziening in de kosten van het bestaan is aangewezen en blijft op een bijstandsuitkering. Subsidiair heeft het college zich op het standpunt gesteld dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht in het algemeen niet mogelijk is, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Het college is niet van bijzondere omstandigheden gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het bedoelde beleid niet kennelijk onredelijk is en dat het college overeenkomstig dit beleid heeft beslist.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand niet had mogen afwijzen op de grond dat de bijstand van appellanten in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is afgestemd, omdat voor een dergelijk verstrekkend gemeentelijk beleid geen grondslag in de WWB aanwezig is. Appellanten wijzen erop dat de hoogte van de maatregel in hoger beroep aanzienlijk is teruggebracht. Voorts had de gemeente uitvoering moeten geven aan het gemeentelijk beleid dat het mogelijk is om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te verlenen voor zover de aanvraag betrekking heeft op zogenoemde kruimelvoorzieningen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van die wet. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3.1. De Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Roosendaal (verordening 2008) is de verordening als onder 4.2 bedoeld. In artikel 10 van de verordening 2008, met het opschrift “Indeling in categorieën” en geplaatst in het hoofdstuk “Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid” zijn categorieën van gedragingen bepaald. In artikel 11 van de verordening 2008, met het opschrift “De hoogte en duur van de maatregel” en geplaatst in hetzelfde hoofdstuk, is in het eerste lid in matrix vorm het percentage en de duur van de verlaging bepaald van de onderscheiden categorieën gedragingen, en voorts naar het aantal keer dat die gedraging is gepleegd. In artikel 11, derde lid, van de verordening is bepaald dat indien binnen één jaar na de voorgaande verwijtbare gedraging sprake is van herhaling van verwijtbaar gedrag, de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking wordt gebracht in een verzwaring van de maatregel. Onder voorgaande verwijtbare gedragingen wordt verstaan de voorgaande gedraging die aanleiding is geweest tot het treffen van een maatregel. Dit geldt evenzo indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd.

4.3.2. Het college voert blijkens paragraaf 9.5.5 van het Vademecum Sociale Zaken van de gemeente Roosendaal met het opschrift “Afwijzing bijzondere bijstand bij negatief gedrag ten aanzien van uitstroom” het beleid dat een verzoek om bijzondere bijstand met toepassing van artikel 18 van de WWB wordt afgewezen indien de cliënt zich zeer passief en negatief opstelt dan wel heeft opgesteld ten aanzien van het realiseren van uitstroom. Het college hanteert daarbij een periode van twaalf maanden.

4.3.3. In artikel 15 van de op 1 januari 2012 in werking getreden Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Roosendaal (verordening 2012) is, voor zover van belang, bepaald dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 van de WWB kan afwijzen indien belanghebbende binnen twaalf maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag verwijtbaar gedragingen heeft betoond als bedoeld in artikel 9, onderdelen d en e van die verordening, die het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid betreffen.

4.4.1. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de advocaatkosten afgewezen met toepassing van het onder 4.3.2 genoemde gemeentelijk beleid.

4.4.2. Het college heeft ter zitting van de Raad uiteengezet dat met dit bestendige beleid - dat zijn uitwerking heeft gekregen in artikel 15 van verordening 2012 - een nadere invulling is gegeven aan verordening 2008 en de daarin neergelegde bevoegdheid de bijstand af te stemmen in geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

4.5. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 2 maart 2010, LJN BL7308 en 8 november 2011, LJN BU4465), biedt artikel 35, eerste lid, van de WWB geen ruimte voor de beoordeling of een belanghebbende zich verwijtbaar heeft gedragen en of dit verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat hij een beroep op de bijzondere bijstand moet doen. Die beoordeling moet plaatsvinden in het kader van de toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB bedoelde verordening dan wel in het kader van de vaststelling in welke vorm de bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 48, tweede lid, van de WWB. Het onder 4.3.2 aangeduide beleid en de primaire grondslag van het bestreden besluit zijn in strijd met deze bepalingen en kunnen het dus niet dragen.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen dient de Raad de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit te beoordelen.

4.7. Het college hanteert met betrekking tot de advocaatkosten beleid. Uitgangspunt daarbij is dat de kosten van een procedure voor eigen rekening worden gelaten. Indien op grond van de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend, wordt de noodzaak van de gemaakte advocaatkosten in beginsel aangenomen. De cliënt dient zijn verzoek om bijzondere bijstand in te dienen voordat met de procedure wordt gestart. Niet in geschil is dat appellanten voor deze kosten pas een aanvraag om bijzondere bijstand hebben gedaan nadat de betreffende procedures waren gestart.

4.8. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 15 mei 2007, LJN BA6875) vloeit uit deze bepaling voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangpunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.9. Het college voert het beleid dat van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin sprake is als de aanvraag betrekking heeft op de aanschaf van zogenoemde kruimelvoorzieningen. Daarvan is sprake in het geval de cliënt één of meerdere kleine aanschaffingen doet welke naar hun aard gerekend dienen te worden tot de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en die wat de hoogte van de kosten betreft een bedrag van € 150,-- zowel incidenteel als tezamen in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag om bijzondere bijstand niet te boven gaan.

4.10. Zes van de acht toevoegingen waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben gevraagd zijn verleend in de periode van 15 januari 2009 tot 15 januari 2010, dus binnen twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag. Appellanten hebben ter zitting betoogd dat het college de bijzondere bijstand voor de gemaakte advocaatkosten in ieder geval tot een bedrag van € 150,-- had dienen te verlenen. Het college heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat de advocaatkosten onder het onder 4.9 genoemde beleid zouden kunnen vallen, indien de primaire grondslag van het bestreden besluit geen standhoudt.

4.11. Nu, zoals in 4.5 is overwogen, de primaire grondslag van het bestreden besluit geen standhoudt, diende het college bij de beoordeling van de subsidiaire grondslag het onder 4.9 genoemde beleid te betrekken. Nu het college dat heeft nagelaten, ontbeert het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ten aanzien van zijn subsidiaire grondslag.

4.12. Met het oog op finale geschillenbeslechting ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen het in 4.11 geconstateerde gebrek te herstellen. Het college dient daartoe te onderzoeken of met het onder 4.9 genoemde gemeentelijk beleid over kruimelvoorzieningen aan appellanten bijzondere bijstand voor de advocaatkosten kan worden verleend.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 25 augustus 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

*