Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY9388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
11-6493 WSF-PV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSF. Intrekking toeslag voor een éénoudergezin. Appellant voldeed niet aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van een toeslag voor een éénoudergezin. De kinderbijslag werd ten tijde hier van belang immers betaald aan (een familielid van) zijn partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6493 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 oktober 2011, 10/392 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 7 december 2012

Zitting heeft: T. Hoogenboom

Griffier: J.R. Baas

Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Door middel van een aanvraagformulier van 26 augustus 2008 heeft appellant bij zijn studiefinanciering een toeslag voor een éénoudergezin aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft hij melding gemaakt van de geboorte van zijn dochter. Hij heeft op het aanvraagformulier vermeld dat hij voor zijn dochter recht heeft op kinderbijslag. Hij heeft tevens vermeld geen partner te hebben. Op basis van deze aanvraag heeft de Minister de toeslag met ingang van 1 september 2008 aan appellant toegekend.

2. Bij besluiten van 3 oktober 2009 heeft de Minister, na appellant in de gelegenheid te hebben gesteld aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voor de toekenning ervan voldeed, de toeslag ingetrokken, als gevolg waarvan appellants toelage is herzien met ingang van1 september 2008.

3. Bij besluit van 21 april 2010 (bestreden besluit) heeft de Minister de tegen de besluiten van 3 oktober 2009 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de Minister appellant diverse malen in de gelegenheid gesteld zijn stellingen met bewijsstukken te onderbouwen.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van de toeslag voor een éénoudergezin voldeed, althans dat hij dat niet aannemelijk heeft gemaakt.

5. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij meent wel aan de voorwaarden voor toekenning te hebben voldaan. Zou worden vastgesteld dat hij niet aan de voorwaarden voldoet, dan wenst hij aanspraak te maken op een partnertoeslag.

6. De rechtbank heeft aan de hand van het juiste toetsingskader en op juiste gronden geoordeeld dat het bestreden besluit niet voor vernietiging in aanmerking komt. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellant in de periode waarover zijn aanspraken zijn herzien, niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van een toeslag voor een éénoudergezin. De kinderbijslag werd ten tijde hier van belang immers betaald aan (een familielid van) zijn partner. Appellant heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde hier van belang met – alleen – zijn dochter een huishouding voerde. In tegendeel, uit zijn verklaring ter zitting bij de rechtbank komt naar voren dat zijn partner sinds mei 2008 – ook – tot zijn huishouden behoorde. De brief van appellant van 28 november 2012 aan de Raad bevat diezelfde informatie. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de Minister niet tot herziening van de toekenning mocht overgaan.

7. Het eventuele recht van appellant op een partnertoeslag maakt geen deel uit van het onderhavige geding, zodat daarover geen oordeel kan worden gegeven. Appellant kan zich ter zake van deze toeslag rechtstreeks tot de Minister wenden. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad erop dat de Minister ter zake van dergelijke aanvragen in een situatie als de onderhavige het beleid hanteert dat deze met terugwerkende kracht kunnen worden gehonoreerd.

8. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J.R. Baas (getekend) T. Hoogenboom