Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY8429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
11-2298 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ6164
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante had de (volledige) zorg voor haar kind. Vernietiging uitspraak. De Raad zal zelf in de zaak voorzien.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 4, geldigheid: 2012-12-04
Participatiewet 1.b, geldigheid: 2012-12-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/41

Uitspraak

11/2298 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 april 2011, 10/2070 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (college)

Datum uitspraak 4 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Meijer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 8 november 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft een thuiswonende dochter, [naam dochter], geboren [in] 1999 (hierna: dochter). De dochter heeft psychische klachten, waaronder een autistische stoornis. Appellante heeft het college bericht dat haar dochter met ingang van 1 juli 2010 in een crisisopvang verblijft, in afwachting van opname in een psychiatrische kliniek. Met ingang van 20 augustus 2010 kon appellante voor behandeling van haar dochter terecht bij de Kliniek Langerdurende Behandeling in Hellendoorn (kliniek). De dochter verbleef sindsdien van zondagavond tot en met vrijdagmiddag in de kliniek en verbleef in de weekenden, in de vakanties en indien nodig, bijvoorbeeld bij ziekte, bij appellante.

1.2. Bij besluit van 29 juli 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2010 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante per 1 juli 2010 niet meer feitelijk zelf in de verzorging van haar dochter voorziet.

1.3. Bij besluit van 22 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college, na gemaakt bezwaar, het besluit van 29 juli 2010 in die zin herroepen dat met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB aan appellante een toeslag wordt verstrekt voor de dagen dat de dochter bij appellante thuis is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 december 2010, LJN BO9010 van oordeel dat de zorg voor de dochter voor het grootste deel van de week was toevertrouwd aan de kliniek.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij is onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 september 2006, LJN AY9206, van mening dat zij met ingang van 1 juli 2010 onverminderd als alleenstaande ouder de volledige zorg heeft over haar dochter.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4 van de WWB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..) b. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander (…) d. kind: het in Nederland woonachtige eigen of stiefkind; e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.”

4.2. Niet in geschil is dat appellante ongehuwd is en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander en dat haar dochter ten laste van haar komt. In geschil is de vraag of appellante per 1 juli 2010 de volledige zorg heeft voor haar dochter als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder b, van de WWB.

4.3. De Raad heeft in zijn onder 3 aangehaalde uitspraak van 26 september 2006, LJN AY9206, onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) (Kamerstukken II 1991-1992, nr. 22 545, nr. 3, p. 108) samengevat het volgende overwogen. Voor de vraag of een alleenstaande de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw, is bepalend of hij feitelijk optreedt als hoofd van een eenoudergezin. De feitelijke verblijfplaats van het kind is daarbij niet van belang. De tekst van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw is ongewijzigd overgenomen in het thans geldende en van toepassing zijnde artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Er is geen aanleiding om hieraan een andere uitleg te geven dan hiervoor vermeld.

4.4. Appellante treedt ook na 1 juli 2010 feitelijk op als hoofd van een eenoudergezin. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden die door appellante zijn aangevoerd en door het college niet zijn betwist. Appellante kan met betrekking tot haar dochter onverminderd alle beslissingen nemen die een ouder over zijn kind kan nemen. Appellante heeft zelf besloten om gebruik te maken van crisisopvang en om haar dochter te laten behandelen in een kliniek. Appellante kan wanneer zij maar wil de behandeling laten beëindigen. Appellante is betrokken bij de behandeling van haar dochter in de kliniek. Zij neemt desgewenst deel aan therapieën. Appellante wordt vanuit de kliniek regelmatig via e-mail, telefoon en ouderbegeleiding geïnformeerd over haar dochter en er vindt overleg plaats. Appellante kan, voor zover de behandeling dat toelaat, telefonisch contact hebben met haar dochter in de kliniek. Appellante wordt vanuit de kliniek gebeld als haar dochter ziek is. De dochter gaat dan eventueel naar huis. Appellante haalt en brengt haar dochter van en naar de kliniek. Dit betreft het vervoer van en naar huis, naar de wekelijkse paardrijles en bijvoorbeeld naar de huisarts of de orthodontist.

4.5. Anders dan de rechtbank acht de Raad hier een andere situatie aanwezig dan in de uitspraak van de Raad van 21 december 2010, LJN BO9010 waarin werd geoordeeld dat de alleenstaande ouder niet langer de volledige zorg had voor een tot haar last komend kind. In die zaak - kort gezegd - was het kind op grond van een rechterlijke uitspraak tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing sinds geruime tijd geplaatst in een pleeggezin. De moeder bezocht het kind één keer per maand. De zorg voor dit kind was opgedragen aan de pleegouders die het kind ook feitelijk verzorgden. Anders dan in die zaak is in het onderhavige geding gesteld noch gebleken dat anderen dan appellante de (volledige) zorg hadden voor haar kind.

4.6. De rechtbank heeft wat onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Er is aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door onder herroeping van het besluit van 29 juli 2010 voor zover het betrekking heeft op de bijstandsnorm te bepalen dat appellante per 1 juli 2010 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

5. Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak ;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 november 2010 voor zover dat betrekking heeft op de bijstandsnorm;

- herroept het besluit van 29 juli 2010 voor zover dat betrekking heeft op de bijstandsnorm;

- bepaalt dat appellante per 1 juli 2010 recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 november 2010; - veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,--;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J. Govaers en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M. Tason Avila

HD