Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY8194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
11-4898 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSF. Bepaling geen recht op een toelage. De Raad verwijst naar de uitspraak van de Raad van 27 mei 2011, LJN BQ6891 en van 11 mei 2012, LJN BW7553. Dat appellante het niet eens is met laatstvermelde uitspraak is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen dan in die uitspraak is neergelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4898 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 augustus 2011, 10/2559 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak 28 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2012. Voor appellante is verschenen mr. J. Klaas, advocaat. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 4 september 2010 heeft de Minister, onder toepassing van artikel 2.2. van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), in samenhang met artikel 3 van het Besluit studiefinanciering 2000, bepaald dat appellante met ingang van 1 oktober 2010 geen recht heeft op een toelage omdat zij niet aan de zogenoemde nationaliteitseis voldoet. Bij besluit van 1 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 september 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij haar oordeelsvorming over dat besluit heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen de uitspraak van de Raad van 27 mei 2011, LJN BQ6891. De gronden die zijn aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot die uitspraak van de Raad, zijn nagenoeg gelijk aan die welke in de onderhavige procedure zijn aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden alle verworpen.

3. In hoger beroep heeft appellante vrijwel gelijke gronden aangevoerd als zij in eerste aanleg heeft gedaan.

3.1. Die gronden zijn in de kern gelijk aan die welke namens de betrokkene zijn aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot de in 2 vermelde uitspraak van de Raad.

3.2. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over haar stelling dat het hebben van studiefinanciering essentieel is voor de uitoefening van het internationaalrechtelijk gegarandeerde recht op onderwijs.

3.3. Tenslotte is aangevoerd dat, zolang appellante niet wordt uitgezet, de Staat jegens haar verplichtingen heeft. Volgens appellante is dit zo vastgelegd in Richtlijn 2008/115/EG.

3.4. Desgevraagd is namens appellante ter zitting verklaard dat zij in hoger beroep is gekomen tegen de aangevallen uitspraak omdat zij het niet eens is met de uitspraak van de Raad, vermeld onder 2.

4.1. De rechtspositie van appellante ten opzichte van de Minister is voor de toepassing van de desbetreffende bepalingen van en krachtens de Wsf 2000 gelijk aan die van betrokkenen in de procedure die heeft geleid tot de in 2 vermelde uitspraak van de Raad en die welke heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 11 mei 2012, LJN BW7553.

4.2. De rechtbank heeft haar oordeel over de in 3.1 vermelde gronden en haar beslissing omtrent het bestreden besluit doen steunen op juiste gronden. Voor de motivering van dit oordeel van de Raad wordt verwezen naar de onder 2 vermelde uitspraak van de Raad.

4.3. In die uitspraak was eveneens aan de orde hoe ver internationaalrechtelijke garanties strekken ter verwezenlijking van het recht op onderwijs in relatie tot de wettelijk geregelde aanspraak op studiefinanciering. In zoverre mist de grond bedoeld in 3.2 feitelijke grondslag. In dit verband zij voorts gewezen op de tweede uitspraak vermeld in 4.1.

4.4. De in 3.3 vermelde grond slaagt evenmin, reeds omdat de door appellante bedoelde Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad, van 16 december 2008, ten tijde in geding nog niet was omgezet in nationale regelgeving, noch ook behoefde te zijn omgezet in nationale regelgeving.

4.5. Dat appellante het niet eens is met laatstvermelde uitspraak is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen dan in die uitspraak is neergelegd.

5. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) M.D.F. de Moor

JL