Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY8136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
11-1963 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Amber. Dezelfde oorzaak. Causaliteitseis. Bewijslast. Psychische klachten. Conversie-stoornis. Ingangsdatum van de verhoging van de WAO-uitkering. Het Uwv is niet geslaagd buiten twijfel te stellen dat de nader vastgestelde beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak. Het had op de weg van het Uwv gelegen zijn standpunt dienaangaande nader te onderbouwen, temeer daar de verzekeringsarts bij toekenning van de WAO-uitkering de medische oorzaak van de klachten van appellante niet nader heeft onderzocht. Nu het Uwv dit heeft nagelaten, volgt uit het voorgaande dat de toegenomen beperkingen hebben te gelden als voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 39a van de WAO.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a, geldigheid: 2012-12-28
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a, geldigheid: 2012-12-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/33
RSV 2013/95

Uitspraak

11/1963 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 februari 2011, 10/1372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.G.M. van der Meer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens zijn door partijen nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is per april 1999 een gedeeltelijke uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Sinds november 2002 heeft zij een volledige WAO-uitkering in verband met toegenomen beperkingen toegekend gekregen. Per 21 november 2007 is haar uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Op 15 januari 2008 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv. Hierop is bij besluit van 9 december 2009 de WAO-uitkering na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 104 weken, per 12 januari 2010 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar betreffende de ingangsdatum van de verhoging van de uitkering is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 16 april 2010 (bestreden besluit).

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat appellante niet toegenomen arbeidsongeschikt is vanwege dezelfde ziekteoorzaak en dat het Uwv in verband daarmee terecht geen toepassing heeft gegeven aan de verkorte wachttijd van vier weken. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante heeft aangevoerd dat zij toegenomen arbeidsongeschikt is vanwege psychische klachten. Bij de laatstelijk verrichte medische beoordeling in 2007 is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), gedateerd 5 juli 2007, vastgesteld. Deze beoordeling heeft geleid tot het besluit van 10 oktober 2007 waarbij de WAO-uitkering per 21 november 2007 is verlaagd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. De Raad heeft in zijn uitspraak van 25 juni 2010 geen aanknopingspunten gezien om aan te nemen dat appellante per 21 november 2007 meer beperkt was en geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van de FML van 5 juli 2007. De rechtbank is van oordeel dat, nu in de FML van 5 juli 2007 geen beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, terwijl de bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat de psychische problematiek van appellante niet het gevolg is van ziekte of gebrek maar samenhangt met haar persoonskenmerken, het niet mogelijk is dat appellante toegenomen arbeidsongeschikt is vanwege dezelfde ziekteoorzaak.

2.1. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat sprake is van een toename van psychische klachten, welke klachten al speelden sinds 1998, waarvan destijds door de verzekeringsarts in 1999 is gezegd dat de oorzaak minder van belang is dan de functionele beperkingen die appellante ondervindt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van haar behandelend psychiater G. Casteelen ingediend, gedateerd 14 juli 2011, alsmede een rapportage van de door haar ingeschakelde medisch adviseur, verzekeringsarts M.A. Peerden, gedateerd 4 mei 2012.

2.2. Het Uwv heeft in verweer gesteld dat bij appellante bij de beoordelingen in 2004 en 2007 geen psychische afwijkingen zijn geconstateerd bij psychisch onderzoek door de verzekeringsartsen. Er zijn destijds ook geen beperkingen aangenomen op het psychische vlak. Daarom is er geen sprake van een uitval met dezelfde ziekteoorzaak.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. Appellante is in 1998 uitgevallen in verband met pijnklachten aan rug, benen, schouders, nek en armen. Aan haar is destijds een WAO-uitkering toegekend op basis van de door de verzekeringsarts gestelde diagnose total body pain, waarbij de verzekeringsarts niet nader heeft onderzocht of de oorzaak van haar klachten lichamelijk of psychisch is, onder de overweging dat pijn niet te meten is en wordt beïnvloed door allerlei lichaams- en geestesprocessen. In de hierop volgende herbeoordelingen zijn de verzekeringsartsen steeds uitgegaan van de diagnose somatoforme pijnstoornis en zijn op basis van het als consistent aangemerkte klachtenpatroon van appellante vele lichamelijke beperkingen aangenomen en ook een urenbeperking. Bij de laatste herbeoordeling in 2007 hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat sprake is van een in essentie ongewijzigde medische situatie met betrekking tot de somatoforme pijnstoornis, waarbij wederom uitsluitend lichamelijke beperkingen zijn aangenomen. Tegen dit besluit is appellante opgekomen, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in de uitspraak van de Raad van 26 juni 2010 waarbij de Raad de juistheid van deze medische beoordeling en het daarop gebaseerde besluit tot verlaging van de WAO-uitkering per 21 november 2007 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35% heeft bevestigd.

3.3. De verzekeringsarts heeft bij de beoordeling van de nieuwe ziekmelding van appellante per 18 januari 2008 vastgesteld dat zij lijdt aan een conversiestoornis waarbij zij last heeft van een ernstige tremor aan de handen en voeten. Vanwege de ernstige beperkingen ten aanzien van het sociaal en persoonlijk functioneren en de voorgenomen behandeling volgens het Behandelingsprogramma Conversiestoornissen in het AMC acht hij appellante niet in staat tot het leveren van een duurzame arbeidsprestatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens vastgesteld dat appellante voorheen gedeeltelijk arbeidsongeschikt was ten gevolge van lichamelijke klachten en thans volledig arbeidsongeschikt is ten gevolge van psychische klachten. In hoger beroep is nog naar voren gebracht dat er geen causaal verband is te leggen tussen een ongedifferentieerde somatoforme stoornis (de Raad neemt aan dat bedoeld wordt een somatoforme pijnstoornis) en een conversiestoornis: het betreft twee verschillende ziektebeelden. Er is in verband hiermee geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.

3.4. De behandelende psychiater Casteelen geeft in haar brief van 16 september 2009 aan dat appellante al sinds 10 jaar last heeft van trillingen in armen en benen zonder neurologische verklaring. Door Casteelen en door verzekeringsarts Peerden wordt gesteld dat er sprake is van intrapsychische problematiek die zich al jarenlang voordoet en zich manifesteert in lichamelijke klachten met diverse uitingsvormen. Door het Uwv is vanaf 1999 aangenomen dat bij appellante sprake is van een somatoforme pijnstoornis, tot uiting komend in lichamelijke beperkingen. Peerden is van mening dat, nu zowel de somatoforme pijnstoornis als de conversiestoornis volgens de DSM IV vallen onder de categorie somatoforme stoornissen, van dezelfde ziekteoorzaak moet worden gesproken.

3.5. Met betrekking tot het wettelijk beoordelingskader overweegt de Raad dat in het bestreden besluit ten onrechte is verwezen naar artikel 43a van de WAO. Het gaat in de onderhavige zaak om de toepassing van artikel 39a van de WAO, zoals door het Uwv ook is aangegeven in het verweerschrift in hoger beroep. Artikel 39a, eerste lid van de WAO luidt als volgt: “Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd”. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de artikelen 39a en 43a van de WAO (bijvoorbeeld LJN AP0012 en LJN BR5276) dient buiten twijfel te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in die artikelen niet van toepassing zijn, waarbij de bewijslast in beginsel rust op degene die stelt dat er geen causaal verband is.

3.6. Gelet op de aangehaalde rechtspraak van de Raad dient te worden beoordeeld of het Uwv erin geslaagd is om aan te tonen dat buiten twijfel staat dat de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen van appellante in het persoonlijk en sociaal functioneren, welke voortvloeien uit de bij appellante gediagnosticeerde conversiestoornis, voortkomen uit een andere ziekteoorzaak dan die waaruit de beperkingen, zoals vastgesteld bij de FML van 5 juli 2007, voortkomen. Bij een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zal het veelal gaan om een toename van de destijds in de eerdere FML opgenomen beperkingen maar ook is mogelijk dat een dergelijke toename hieruit bestaat, dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen, mits deze nieuwe beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerder vastgestelde beperkingen.

3.7. De Raad is van oordeel dat het Uwv niet is geslaagd buiten twijfel te stellen dat de nader vastgestelde beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak. Tegen de achtergrond van de visie van de behandelend psychiater Casteelen en die van de ingeschakelde medisch adviseur Peerden dat ook al in 2007 sprake was van een conversiestoornis, is de omstandigheid dat de ziektebeelden somatoforme pijnstoornis en conversiestoornis op zichzelf van elkaar vallen te onderscheiden, noch de omstandigheid dat destijds slechts lichamelijke beperkingen zijn aangenomen en nadien (ook) psychische beperkingen, toereikend voor de conclusie dat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de eerder in de FML van 5 juli 2007 vastgestelde beperkingen. Het had op de weg van het Uwv gelegen zijn standpunt dienaangaande nader te onderbouwen, temeer daar de verzekeringsarts bij toekenning van de WAO-uitkering de medische oorzaak van de klachten van appellante niet nader heeft onderzocht (zie overweging 3.2.). Nu het Uwv dit heeft nagelaten, volgt uit het voorgaande dat de toegenomen beperkingen hebben te gelden als voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 39a van de WAO.

3.8. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep van appellante en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd evenals het bestreden besluit. Het Uwv dient een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen waarbij appellante, onder toepassing van de verkorte wachttijd van 4 weken ingevolge artikel 39a, eerste lid, van de WAO, een uitkering wordt toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. Nu appellante heeft verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het Uwv tevens op dit verzoek te beslissen. Voorts dient het Uwv een besluit te nemen op het verzoek van appellante om schadevergoeding in de vorm van gederfde wettelijke rente in de zin van artikel 8:73 van de Awb. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de eventueel aan appellante toekomende vergoeding, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958.

3.9. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op eveneens € 874,-wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.748,-

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en draagt het Uwv op om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met in achtneming van het bij deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 1.748,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.C.W. Lange en R.C. Schoemaker als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt