Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY8086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
12/6198 ZW-VV + 12/4983 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schending van de beginselen van een goede procesorde, die zijn neergelegd in artikel 8:55 van de Awb, nu de rechtbank haar uitspraak van 20 juli 2012 op verzet heeft gedaan zonder dat er sprake is van een verzetschrift van verzoeker. Er bestaat derhalve aanleiding om het appelverbod te doorbreken. De voorzieningenrechter is bevoegd om kennis te nemen van het door verzoeker ingestelde hoger beroep. De zaak dient, teneinde het verzetschrift van 17 augustus 2012 in behandeling te nemen, te worden teruggewezen naar de rechtbank.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:55, geldigheid: 2012-12-27
Algemene wet bestuursrecht 8:55, geldigheid: 2012-12-27
Beroepswet 18, geldigheid: 2012-12-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/59

Uitspraak

12/6198 ZW-VV en 12/4983 ZW

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 27 december 2012.

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft op 7 september 2012 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter verwijst voor de relevante feiten en de standpunten van partijen naar de dossierstukken en naar de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 juli 2012, 12/662.

2.1. Ingevolge artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting waarin het verzoek is behandeld, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Ook overigens is geen sprake van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de in 1 vermelde uitspraak van de rechtbank, welke uitspraak is gegeven onder toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Volgens vaste rechtspraak kan aan het wettelijk appelverbod worden voorbijgegaan als sprake is van een evidente schending van de beginselen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. Verzoeker heeft bedoeld te stellen, zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat van een dergelijke schending sprake is omdat de rechtbank op het verzet heeft beslist alvorens verzoeker het verzetschrift, bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, tweede volzin, van de Awb heeft ingezonden. Hij stelt dat hij had willen worden gehoord door de rechtbank.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Met haar, op een besluit terzake van een Ziektewetuitkering betrekking hebbende uitspraak van 10 juli 2012, die onder hetzelfde nummer is geregistreerd als de uitspraak op verzet vermeld onder 1, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker kennelijk ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank verzoeker onder het kopje ‘Rechtsmiddel’ alsmede bij separate brief van 10 juli 2012 erop gewezen dat hij binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak verzet kan doen.

4.2. Op 20 juli 2012 heeft de rechtbank uitspraak op verzet gedaan. Kennelijk heeft de rechtbank de brief van verzoeker van 10 juli 2012 als verzetschrift aangemerkt. Van andere correspondentie van verzoeker in de periode van 10 juli 2012 tot en met 20 juli 2012, de datum van evengenoemde uitspraak op verzet, is niet gebleken.

4.3. De kwalificatie door de rechtbank van verzetschrift van de brief, vermeld in 4.2, is onjuist. Dit oordeel berust op de navolgende overwegingen.

4.3.1. Uit de inhoud van deze brief blijkt op generlei wijze dat verzoeker hiermee heeft beoogd verzet te doen tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2012. Daarbij vertoont die brief qua inhoud en opbouw grote gelijkenis met de eerdere brieven van 15 mei, 21 juni, 22 juni en 6 juli 2012 die in het kader van de beroepsprocedure door verzoeker zijn ingebracht. Die brief had dan ook door de rechtbank moeten worden beschouwd als een gedingstuk, bestemd om te worden ingebracht in die procedure. Dit laatste blijkt temeer hieruit dat de rechtbank bij brief van 26 juni 2012 het Uwv in de gelegenheid heeft gesteld om naar aanleiding van het ingestelde beroep een verweerschrift in te dienen. Blijkens het poststempel daarvan heeft de rechtbank het verweerschrift op 16 juli 2012 ontvangen. Echter reeds voor die datum, zonder het verweerschrift af te wachten, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker met haar uitspraak van 10 juli 2012 kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker mocht er gezien de uitnodiging van de rechtbank aan het Uwv om een verweerschrift in te dienen op vertrouwen dat, zolang het Uwv nog geen verweerschrift had ingediend, de rechtbank niet zonder meer uitspraak zou doen en dat hij, ter adstructie van de reeds ingediende gronden, nadere stukken kon overleggen.

4.3.2. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker op het moment van overlegging van zijn brief van 10 juli 2012 nog niet op de hoogte was van de door de rechtbank op 10 juli 2012 gedane en op die datum aan verzoeker toegezonden uitspraak.

4.4. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.2 is evident sprake van een schending van de beginselen van een goede procesorde, die zijn neergelegd in artikel 8:55 van de Awb, nu de rechtbank haar uitspraak van 20 juli 2012 op verzet heeft gedaan zonder dat er sprake is van een verzetschrift van verzoeker. Er bestaat derhalve aanleiding om het appelverbod te doorbreken.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.4 volgt dat de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van het door verzoeker ingestelde hoger beroep.

4.6. Het hoger beroep slaagt. De door de rechtbank gedane verzetuitspraak van 20 juli 2012 dient te worden vernietigd. De zaak dient, teneinde het verzetschrift van 17 augustus 2012 in behandeling te nemen, te worden teruggewezen naar de rechtbank.

5. Van voor een proceskostenveroordeling in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de op verzet gedane uitspraak van de rechtbank van 20 juli 2012;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) Z. Karekezi

JL