Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
08-01-2013
Zaaknummer
11-4043 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum AOW-pensioen. Geen bijzonder geval. Geen medische dan wel andere gegevens waaruit aannemelijk kan worden geacht dat appellante gedurende ruim twee jaar op geen enkel moment in staat is geweest haar eigen belangen te behartigen, dan wel hulp van een derde in te schakelen. AOW toekennen op aanvraag, niet ambsthalve. Niet valt in te zien dat er in het onderhavige geval enige aanknoping met het Unierecht is. Voor het stellen van prejudiciële vragen is dan ook geen aanleiding. Ook het beroep op de Europese Code en de in hoger beroep genoemde richtlijnen kunnen appellante niet baten. Geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP).

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/49

Uitspraak

11/4043 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 mei 2011, 09/1718 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 21 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar zoon, [zoon], hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde [zoon]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Boot.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Bij brief van 12 juni 2006 heeft de Svb aan appellante medegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) eindigt op 31 mei 2006 in verband met haar 65 jarige leeftijd en dat zij mogelijk in aanmerking komt voor een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zij heeft echter geen aanvraag om een AOW-uitkering ingediend. Eerder had de Svb op 11 mei 2006 formulieren aan appellante toegezonden om een uitkering ingevolge de AOW aan te vragen (aanvraagset AOW). Nadat geen reactie van appellante was ontvangen, heeft de Svb nogmaals een aanvraagset AOW toegestuurd op 18 juni 2006 en op 11 mei 2007. Vervolgens heeft de Svb op 17 september 2007 telefonisch contact opgenomen met appellante omdat nog steeds geen aanvraag om een AOW-pensioen was ingediend. Hierop is geen reactie van appellante gevolgd. Op 9 oktober 2008 heeft de zoon van appellante, [zoon], in de winkel van de Svb een aanvraagformulier ingevuld.

1.3. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft de Svb aan appellante een AOW-pensioen toegekend met ingang van oktober 2007. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval en dat daarom het pensioen wordt toegekend met een terugwerkende kracht van een jaar.

1.4. In bezwaar is namens appellante gevraagd om een langere terugwerkende kracht omdat zij buiten haar schuld niet in staat was tijdig een aanvraag om AOW-pensioen te doen.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 12 maart 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 14 oktober 2008 gehandhaafd. De Svb heeft hiertoe overwogen dat niet eerder dan op 9 oktober 2008 een aanvraag om AOW-pensioen is ingediend en dat niet is gebleken dat door een niet aan appellante toe te rekenen oorzaak zij niet in staat was om reeds eerder een aanvraag om AOW-pensioen in te (laten) dienen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de weigering om appellante met een volledige terugwerkende kracht AOW-pensioen toe te kennen geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) oplevert omdat geen sprake is van enig eigendomsrecht. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te oordelen dat de Svb gehouden was appellante ambtshalve het AOW-pensioen toe te kennen, gelet op het beleid dat ambtshalve toekenning slechts plaatsvindt bij in het buitenland wonenden. De stelling van appellante dat zij om psychische redenen niet in staat is geweest tijdig een aanvraag te doen, is niet met (medische) stukken onderbouwd.

3. In hoger beroep is namens appellante een beroep gedaan op artikel 59 van de Europese Code inzake sociale zekerheid en de richtlijnen 92/441/EEG en 92/442/EEG volgens welke regelingen een minimuminkomen moet worden gewaarborgd. Voorts is aangevoerd dat de Svb het AOW-pensioen ambtshalve had kunnen toekennen omdat appellante reeds een uitkeringsrelatie had met de Svb en dat blijkens de jaaropgave van 2007 met betrekking tot de ontvangen Anw-uitkering al haar gegevens bekend waren. In dat kader is nog betoogd dat appellante als burger van de Unie in de zin van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in verbinding met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) op dezelfde manier moet worden behandeld als niet ingezetenen. Bovendien is het niet (ambtshalve) toekennen van het pensioen in strijd met het vrij verkeer van kapitaal. De rechtbank had dienaangaande prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te Luxemburg moeten stellen. Dat ingezetenen een aanvraagformulier moeten indienen alvorens het pensioen kan worden toegekend, getuigt van excessief formalisme. Voorts is door de toekenning van het AOW-pensioen met slechts een jaar terugwerkende kracht haar eigendomsrecht, dat zij heeft ingevolge artikel 1 van het EP en het Handvest, geschonden.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Vooropgesteld wordt dat namens appellante weliswaar is aangevoerd dat zij gedurende een bepaalde periode tussen medio 2006 en medio 2008 psychische klachten had, maar dat geen medische dan wel andere gegevens in het geding zijn gebracht waaruit blijkt dan wel aannemelijk kan worden geacht dat appellante gedurende ruim twee jaar op geen enkel moment in staat is geweest haar eigen belangen te behartigen, dan wel hulp van een derde in te schakelen. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de Svb diverse malen appellante heeft geattendeerd op het doen van een aanvraag en dat zij in september 2008 een verklaring heeft ondertekend waarin zij haar zoon machtigt haar belangen te behartigen. Niet is gebleken dat deze machtiging niet op een eerder tijdstip gegeven had kunnen worden. Van een bijzonder geval in de zin van artikel 16, tweede lid, van de AOW is dan ook geen sprake.

4.3. De stelling van appellante dat de Svb het pensioen ambtshalve had moeten toekennen, slaagt niet. Het ouderdomspensioen wordt in beginsel op aanvraag toegekend. Weliswaar is de Svb ingevolge artikel 14, tweede lid, van de AOW bevoegd tot ambtshalve toekenning over te gaan, maar hij is daartoe niet gehouden, anders dan in die gevallen zoals omschreven in de beleidsregels. De bevoegdheid tot ambtshalve toekenning heeft de Svb met name beperkt tot in een verdragsland wonenden met wie de Svb een uitkeringsrelatie heeft. Volgens de Svb hoeft alleen in die gevallen waarin van het zusterorgaan in een verdragsland alle relevante gegevens al zijn ontvangen en er tevens al een uitkeringsrelatie was, door de betrokkene geen aanvraagformulier te worden ingediend. In overige gevallen zal door de betrokkene (enige) actie voor het verkrijgen van een AOW-pensioen moeten worden ondernomen. Uit het oogpunt van handhaving is ervoor gekozen om bij ingezetenen niet ambtshalve toe te kennen. Wel heeft de Svb het voor ingezetenen makkelijker gemaakt door voor hen het aanvraagformulier al zo volledig mogelijk in te vullen, zodat in veel gevallen de betrokkene het formulier alleen nog ondertekend hoeft terug te sturen naar de Svb. Van excessief formalisme met betrekking tot ingezetenen is dan ook geen sprake. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet worden gevolgd. Daargelaten de vraag of ingezetenen en niet-ingezetenen als gelijke gevallen kunnen worden aangemerkt, heeft de Svb voldoende objectieve en redelijke gronden naar voren gebracht ter rechtvaardiging van de in de beleidsregels neergelegde mogelijkheid van ambtshalve toekenning bij niet- ingezetenen. Het beroep op het recht van de Europese Unie kan hieraan niet afdoen, reeds omdat de onderhavige situatie niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Zie in dit verband ook artikel 51 van het Handvest waarin is bepaald dat het Handvest uitsluitend gericht is tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, nog afgezien van het feit dat de periode in geding zich afspeelt vóór de inwerkingtreding van het Handvest op 1 december 2009. Van een grensoverschrijdende situatie is geen sprake (geweest), zodat ook de stelling dat inbreuk is gemaakt op het vrij verkeer van kapitaal reeds om die reden faalt. Ook het burgerschap van de Unie heeft niet tot doel de materiële werkingssfeer van het VWEU uit te breiden tot interne situaties die geen enkele aanknoping met het Unierecht hebben. Daarbij is niet gebleken dat appellante het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie verbonden rechten of dat de uitoefening wordt belemmerd van haar recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 2011, McCarthy, C-434/09, www.curia.europa.eu). Niet valt in te zien dat er in het onderhavige geval enige aanknoping met het Unierecht is. Voor het stellen van prejudiciële vragen is dan ook geen aanleiding.

4.4. Ook het beroep op de Europese Code en de in hoger beroep genoemde richtlijnen kunnen appellante niet baten. De Europese Code bevat geen een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet (zie hiervoor ook de uitspraak van 24 januari 2001, USZ 2001, 49), nog afgezien van het feit dat het door appellante genoemde artikel 59 ziet op de nabestaandenuitkering en niet op het ouderdomspensioen. Ook de Aanbevelingen in genoemde richtlijnen kunnen niet als rechtstreeks door de burger inroepbare bepalingen worden aangemerkt. Nog daargelaten dat in beginsel in de AOW een sociaal minimum wordt gewaarborgd, waarbij echter wel (tijdig) een aanvraag moet worden gedaan alvorens kan worden toegekend.

4.5. De vraag of de toekenning van het ouderdomspensioen met een terugwerkende kracht van een jaar een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het eigendomsrecht van appellante, wordt ontkennend beantwoord. Weliswaar kan een toegekend recht op AOW-pensioen als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP worden beschouwd, doch hier is geen sprake van ontneming van een bestaand recht. Appellante kon slechts een legitieme verwachting hebben dat zij met ingang van haar 65ste jaar recht zou hebben op dit AOW-pensioen, voor zover voldaan was aan de voorwaarde van het doen van een tijdige aanvraag, zoals in de wet omschreven. Niet valt in te zien dat het de wetgever niet vrij zou staan om een uitkering slechts toe te kennen met een terugwerkende kracht van een jaar voorafgaande aan de aanvraag, waarbij voor bijzondere gevallen zelfs een langere terugwerkende kracht wordt toegepast, en dat artikel 1 van het EP zich daartegen zou verzetten.

4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S.K. Dekker