Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
07-01-2013
Zaaknummer
11-1499 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid aan appellant op grond van artikel 8:8 van de CAR/LAR met ingang van 1 september 2009 ontslag kon verlenen en maakt de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. De - louter formele - stelling van appellant dat hij niet is gehoord in het kader van de aan hem toe te kennen uitkeringsregeling kan niet leiden tot het oordeel dat de toegekende uitkeringsregeling niet juist is. In het zienswijzegesprek op 11 augustus 2009 heeft appellant hierover immers vooraf zijn zienswijze kenbaar kunnen maken. Hij heeft dit echter niet gedaan en ook achteraf in bezwaar, in beroep en in hoger beroep geen inhoudelijke argumenten naar voren gebracht over de toegekende uitkeringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1499 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 januari 2011, 10/228 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak: 20 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.P.E.M. Pover, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pover. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.N.T.J. Adriaans en mr. R. de Graaf.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is per 1 december 1997 aangesteld bij de gemeente Zwolle op de afdeling [afdeling ]. Per 1 augustus 2000 is appellant uit zijn functie ontslagen wegens onvoldoende functioneren. Per dezelfde datum is hij voor een periode van twee jaar geplaatst in de personeelspool en tijdelijk tewerkgesteld bij de sector Welzijn, afdeling Financiƫn en Control, sectie Financiƫle Administratie.

1.2. Na afronding van een reorganisatie is appellant per 1 januari 2002 structureel geplaatst bij het Bedrijfsbureau van het Expertisecentrum in de functie medewerker planning en control B. Op 14 januari 2005 heeft een gesprek plaatsgehad over het functioneren van appellant en de gespannen verhoudingen in het team. Naar aanleiding daarvan is besloten tot overplaatsing van appellant. Vervolgens is appellant begeleid bij het starten van een eigen onderneming maar dit heeft niet tot resultaat geleid.

1.3. Bij brief van 30 maart 2007 heeft het college aan appellant te kennen gegeven dat getracht zal worden hem buiten de gemeente te plaatsen in een functie die overeenkomt met de functie van medewerker planning en control A. Appellant zal hierin begeleid worden door het loopbaancentrum. Met ingang van 3 oktober 2007 is appellant gedetacheerd bij Vitens als medewerker Crediteurenadministratie. Na 29 augustus 2008 is de detachering niet verlengd vanwege bij appellant bestaande vermoeidheidsklachten.

1.4. Bij brief van 3 september 2008 heeft het college de laatste fase van het herplaatsingstraject opgestart met als einddatum 1 september 2009. USG Restart zal appellant begeleiden bij het zoeken naar werk buiten de gemeente. Deze brief heeft appellant ondertekend. Op 16 juli 2009 heeft appellant zich wegens vermoeidheidsklachten ziek gemeld. Na een voornemen daartoe heeft het college appellant bij besluit van 31 augustus 2009 met toepassing van artikel 8:8 van de Collectieve en Lokale Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Zwolle (CAR/LAR) per 1 september 2009 ontslag verleend.

2. Bij besluit van 5 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat, gelet op de ondertekening door appellant van de brief van 3 september 2008, de inhoud van deze brief als uitgangspunt mag worden genomen. Daarin is uitgegaan van de arbeidsgeschiktheid van appellant. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft mogen afgaan op het advies van de bedrijfsarts van 12 augustus 2009 dat volgens appellant door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevestigd. Voorts is niet komen vast te staan dat appellant in het jaar daarvoor wegens vermoeidheidsklachten niet in staat was om te werken of activiteiten in verband met het verkrijgen van werk te verrichten. Daarbij betrekt de rechtbank dat appellant in die periode de MBA-opleiding heeft afgemaakt en dat USG Restart niet heeft teruggekoppeld dat appellant zich voor de herplaatsingsactiviteiten heeft ziek gemeld. Appellant heeft bovendien veel tijd besteed aan het solliciteren en heeft een LOI-cursus boekhouden op basis van thuisstudie gevolgd. De rechtbank is verder van oordeel dat appellant voldoende is gewezen op en begeleid in het aanvaarden en invullen van interne en externe vacatures. In de brief van 3 september 2008 heeft het college te kennen gegeven interne passende vacatures aan appellant te zullen aanbieden. Daarbij is wel de kanttekening gemaakt dat, gezien de voorgeschiedenis, de kans op een succesvolle voortzetting van zijn loopbaan bij de gemeente voor appellant als zeer gering moet worden ingeschat. Appellant heeft geen passende functies genoemd die het college hem had kunnen aanbieden. Het college heeft appellant gefaciliteerd door middel van het inzetten van USG Restart. Niet is gebleken dat door het college geen acht is geslagen op de oorzaak van zijn uitval. Daarbij acht de rechtbank van belang dat appellant zelf heeft afgezien van de mogelijkheid van mediation. Ten slotte is aan appellant in het ontslagvoornemen een passende regeling aangeboden. Daarover heeft appellant in het zienswijzegesprek en tijdens de hoorzitting het een en ander naar voren kunnen brengen. Appellant heeft echter geen inhoudelijke argumenten naar voren gebracht, zodat het college in redelijkheid appellant ontslag heeft kunnen verlenen op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO.

3.1. In hoger beroep heeft appellant evenals in beroep aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord over de hem toe te kennen uitkeringsregeling, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 10d:4, tweede lid, van de CAR/LAR. Appellant heeft gesteld dat dit gebrek niet kon worden geheeld door het zienswijzegesprek dat heeft plaatsgehad, aangezien dit een geheel andere aard en strekking heeft dan het horen op grond van artikel 10d:4. Voorts heeft appellant gesteld dat zijn gezondheidsklachten zodanig waren dat het college redelijkerwijs niet tot ontslag had mogen overgaan. Ook heeft het college appellant niet gewezen op passende vacatures en niet begeleid in het aanvaarden of invullen van dergelijke vacatures. Bovendien heeft geen adequate begeleiding naar externe vacatures plaatsgehad; het enkel inzetten van USG Restart is naar de mening van appellant onvoldoende. Ten slotte heeft het college nimmer acht geslagen op de reden van uitval van appellant, terwijl dit aantoonbaar lag aan een conflict met een collega. Het college had zich meer inspanningen dienen te getroosten om het conflict op te lossen. De rechtbank is daar ten onrechte aan voorbij gegaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid aan appellant op grond van artikel 8:8 van de CAR/LAR met ingang van 1 september 2009 ontslag kon verlenen en maakt de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. De - louter formele - stelling van appellant dat hij niet is gehoord in het kader van de aan hem toe te kennen uitkeringsregeling kan niet leiden tot het oordeel dat de toegekende uitkeringsregeling niet juist is. In het zienswijzegesprek op 11 augustus 2009 heeft appellant hierover immers vooraf zijn zienswijze kenbaar kunnen maken. Hij heeft dit echter niet gedaan en ook achteraf in bezwaar, in beroep en in hoger beroep geen inhoudelijke argumenten naar voren gebracht over de toegekende uitkeringsregeling.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) R. Scheffer