Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
08-01-2013
Zaaknummer
11-7545 APPA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Korting op Appa-uitkering wegens inkomsten. Appellant genoot als directeur-grootaandeelhouder een inkomen dat - ongeacht het hem maandelijks uitgekeerde directeurssalaris - wordt bepaald door de uit de onderneming behaalde winst. Pas na afloop van het boekjaar 2009 kon worden vastgesteld hoe hoog de over dat jaar behaalde winst was, die over dat jaar als inkomsten als bedoeld in de artikelen 134 en 134a van de Appa moet worden aangemerkt. Verweerder heeft bij de verrekening van de door appellant als directeur-grootaandeelhouder genoten inkomsten dan ook niet ten onrechte een periode van één jaar als uitgangspunt genomen. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Een uitkering op grond van de Appa is een bruto-uitkering, die alleen vergeleken kan worden met bruto-inkomsten (LJN AU9639). De door een directeur-grootaandeelhouder gedane reserveringen ten behoeve van een pensioenvoorziening komen niet in mindering op - maar vormen een besteding van - de bij een inkomensverrekening zoals hier aan de orde in aanmerking te nemen bruto-inkomsten (LJN BJ9628).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7545 APPA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (verweerder)

Datum uitspraak: 20 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 november 2011, kenmerk 069920783 (bestreden besluit). Dit besluit is genomen ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2012. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. van Rooijen.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was van 13 mei 2003 tot 1 juli 2008 lid van gedeputeerde staten van Noord-Holland. Per de laatstgenoemde datum heeft appellant als gedeputeerde ontslag genomen. Bij besluit van 30 juni 2008 is aan appellant met ingang van 1 juli 2008 een uitkering op grond van artikel 131, eerste lid, van de Appa toegekend. In het eerste jaar bedroeg die uitkering 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als gedeputeerde genoten wedde. Deze wedde bedroeg, inclusief vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, € 8.674,14 per maand. De uitvoering van de Appa heeft verweerder opgedragen aan Loyalis.

1.2. Vanaf 1 juli 2008 was appellant werkzaam als directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf]. Door middel van maandelijkse inkomstenformulieren gaf appellant zijn inkomsten op aan verweerder. Op het inkomstenformulier over augustus 2008 heeft appellant een inkomen opgegeven van € 10.896,89. Naar aanleiding van deze opgave heeft verweerder bij besluit van 18 september 2008 de Appa-uitkering met ingang van 1 oktober 2008 op nihil gesteld.

1.3. Op het inkomstenformulier over juni 2009 heeft appellant opgegeven dat zijn adviesbureau niet meer zo goed loopt als voorheen en dat er naar verwachting met ingang van juni 2009 geen salaris meer aan hem kan worden uitbetaald. Naar aanleiding van deze opgave heeft verweerder bij besluit van 15 mei 2009 de Appa-uitkering met ingang van 1 juni 2009 weer betaalbaar gesteld. Hierbij is vermeld dat het uitkeringspercentage per 1 juli 2009 wijzigt van 80% naar 70%. Appellant heeft bij e-mail van 8 juni 2009 aan een medewerker van Loyalis de vraag voorgelegd of het juist is dat hij per 1 juli 2009 per maand 30% van de laatstelijk genoten wedde, ofwel € 2.687,- bruto, kon bijverdienen. Bij e-mail van 9 juni 2009 heeft die medewerker van Loyalis deze vraag bevestigend beantwoord. Vervolgens heeft Loyalis appellant bij brief van 22 juni 2009 gewezen op de artikelen 134 en 134a van de Appa, waarin is geregeld, kort gezegd, op welke wijze inkomsten worden verrekend. Bij deze brief is appellant tevens verzocht om de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2008 over te leggen, om te kunnen beoordelen of de aan appellant over dat jaar verleende Appa-uitkering moet worden herzien. Op de inkomstenformulieren over de maanden juli tot en met december 2009 heeft appellant als inkomsten uit arbeid opgegeven een maandelijks bedrag van

€ 2.254,75.

1.4. In januari 2011 heeft appellant de aangifte inkomstenbelasting over 2009 overgelegd. Op basis van deze aangifte heeft verweerder vastgesteld dat aan appellant over 2009 per saldo een bedrag van € 16.977,59 (bruto) aan Appa-uitkering onverschuldigd is uitbetaald. Bij besluit van 12 juli 2011 heeft verweerder dit bedrag van appellant teruggevorderd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de inkomsten die appellant als directeur-grootaandeelhouder heeft genoten met toepassing van artikel 134a, tweede lid, van de Appa op jaarbasis moeten worden berekend. Daarbij is erop gewezen dat de exacte hoogte van dergelijke inkomsten pas na afsluiting van het boekjaar kan worden vastgesteld. Verder zijn aan appellant geen ondubbelzinnige, schriftelijke mededelingen gedaan op basis waarvan de totale looninkomsten over 2009 van € 80.263,- niet verrekend zouden kunnen worden met de aan appellant verleende Appa-uitkering, aldus verweerder.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 134, eerste lid, van de Appa, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, worden de inkomsten die de belanghebbende geniet, met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Uit artikel 134, tweede lid, van de Appa volgt dat voor de toepassing van het eerste lid onder inkomsten mede wordt verstaan winst uit één of meer ondernemingen, zoals bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Op grond van artikel 134, vijfde lid, van de Appa geschiedt de verrekening aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. In artikel 134a, tweede lid, van de Appa is bepaald dat indien de aard van de activiteiten of van de inkomsten meebrengt dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, de opgave overeenkomstig geschiedt en op de uitkering een vermindering wordt toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de bedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 134 van de Appa van toepassing, met dien verstande dat zij geschiedt over de langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

2.2. Met verweerder is de Raad van oordeel dat hier een situatie aan de orde is waarop artikel 134a, tweede lid, van de Appa ziet. Appellant genoot als directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf] B.V. een inkomen dat - ongeacht het hem maandelijks uitgekeerde directeurssalaris - wordt bepaald door de uit de onderneming behaalde winst. Pas na afloop van het boekjaar 2009 kon worden vastgesteld hoe hoog de over dat jaar behaalde winst was, die over dat jaar als inkomsten als bedoeld in de artikelen 134 en 134a van de Appa moet worden aangemerkt. Verweerder heeft bij de verrekening van de door appellant als directeur-grootaandeelhouder genoten inkomsten dan ook niet ten onrechte een periode van één jaar als uitgangspunt genomen.

2.3. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat verweerder vanwege de onder 1.3 vermelde e-mail van 9 juni 2009, zijn inkomsten over 2009 op maandbasis had moeten verrekenen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Kort na de genoemde e-mail is appellant bij de onder 1.3 vermelde brief van 22 juni 2009 uitdrukkelijk gewezen op de toepasselijkheid van artikel 134a van de Appa. Eerder was dit al gebeurd in het toekenningsbesluit van 30 juni 2008. Daarbij is de tekst van het tweede lid vrijwel woordelijk geciteerd. Onder deze omstandigheden kon appellant weten dat de maandelijkse verrekeningen een voorlopig karakter hadden en is van een rechtens te honoreren opgewekt vertrouwen dat deze verrekeningen een definitief karakter zouden krijgen geen sprake.

2.4. Evenmin volgt de Raad appellant in zijn standpunt dat de door hem gedane reserveringen ten behoeve van een pensioenvoorziening in mindering hadden moeten worden gebracht op de door hem in 2009 genoten inkomsten. Een uitkering op grond van de Appa is een bruto-uitkering, die alleen vergeleken kan worden met bruto-inkomsten (CRvB 5 januari 2006, LJN AU9639). De door een directeur-grootaandeelhouder gedane reserveringen ten behoeve van een pensioenvoorziening komen niet in mindering op - maar vormen een besteding van - de bij een inkomensverrekening zoals hier aan de orde in aanmerking te nemen bruto-inkomsten (CRvB 7 oktober 2009, LJN BJ9628).

2.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) R. Scheffer