Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
08-01-2013
Zaaknummer
11/1370 AW + 11/7329 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP1649
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is met ingang van 16 mei 2009 ontslagen. Vanaf 8 maart 2003 tot aan de ontslagdatum is betrokkene (gedeeltelijk) met ziekteverlof geweest. Betrokkene is een aanspraak toegekend op uitbetaling van in totaal 331,2 vakantie-uren; hierbij is toepassing gegeven aan art. 24 lid 1 ARAR, inhoudend dat ter gelegenheid van ontslag maximaal de vakantie-uren over twee jaren voor uitbetaling in aanmerking kunnen komen. Appellant is van opvatting dat een verdergaande terugwerkende kracht niet vereist is.

Betrokkene handhaaft het standpunt dat 144 jaarlijkse vakantie-uren vanaf 2004 (onder aftrek van in een enkel jaar genoten vakantie-uren) voor uitbetaling in aanmerking moeten komen.

Raad: In de uitspraak van de Raad (LJN: BR0265 en TAR 2011, 162) heeft de Raad met name naar aanleiding van het arrest Schultz-Hoff e.a. geoordeeld dat art. 7, lid 1 van Richtlijn 2003/88 onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig bepaald is om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, ten einde de toepassing van nationale bepalingen die niet met art. 7, lid 1 van Richtlijn 2003/88 stroken, te verhinderen. Dit betekent dat elke werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon gedurende vier weken. Ingevolge het arrest Schultz-Hoff e.a(LJN: BH0693, EUR-LEX62006CJ0350, NJ 2009, 252) geldt voorts dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet vervalt aan het einde van een referentieperiode en/of van een naar nationaal recht vastgestelde overdrachtsperiode, wanneer de werknemer met ziekteverlof is geweest tijdens de gehele referentieperiode of een deel ervan en niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit hem door Richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken.

In het arrest van 22 november 2011, C-214/10, KHS/Schulte (LJN: BU6678, EUR-LEX 62010CJ0214, NJ 2012, 54) heeft het Hof het zojuist genoemde oordeel uit het arrest Schultz-Hoff herhaald, maar is dit oordeel tevens genuanceerd voor de situatie dat de werknemer gedurende meerdere opeenvolgende referentieperioden [jaren] arbeidsongeschikt is. Een recht op onbeperkte cumulatie van rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon beantwoordt niet meer aan het doel zelf van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, te weten het uitrusten van de opgelegde taken en het beschikken over een periode van ontspanning en vrije tijd. Er is dus geen recht op het onbeperkt cumuleren wanneer de werknemer gedurende meerdere opeenvolgende jaren arbeidsongeschikt is en zijn jaarlijkse vakantie niet tijdens die periode kan opnemen. Het Hof heeft in dit arrest aanvaardbaar geacht dat nationale bepalingen of gebruiken een overdrachtsperiode van 15 maanden hanteren bij het verstrijken waarvan het recht op dergelijke vakantie vervalt.

De Raad moet de vraag beantwoorden of Richtlijn 2003/88 en de daaraan in het bijzonder in het arrest KHS/Schulte gegeven uitleg van het Hof meebrengen dat betrokkene aanspraak heeft op uitbetaling van meer dan 331,2 vakantie-uren, zijnde alle vakantie-uren over een tijdvak van twee jaar.

Het door appellant op betrokkene toegepaste art. 24, lid 1 van het ARAR houdt in:

‘Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd.’

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 18 juli 2011, LJN: BR0265 en TAR 2011, 162, al heeft geconstateerd, laat de circulaire van 4 februari 2010 (2010-0000074965) zien dat de artt. 22 en 23 van het ARAR (en de daarop gebaseerde uitvoeringspraktijk) niet in lijn zijn met Richtlijn 2003/88. Aangezien voorts bij het nieuwe besluit geen toepassing is gegeven aan de voor deze artikelen in deze circulaire in de plaats gestelde werkwijze, laat de Raad de aanvaardbaarheid van de circulaire in verband met de eisen die gesteld kunnen worden aan een overdrachtsperiode buiten beschouwing.

Gelet op de uitkomst van het besluit van 14 december 2011 stelt de Raad vast dat de voor betrokkene getroffen regeling een aanspraak geeft die overeenstemt met het minimum aantal vakantie-uren behorend bij (331,2:144=) 2,3 kalenderjaren. Gelet op het oordeel van het Hof over de overdrachtsperiode van 15 maanden in het arrest KHS/Schulte kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat appellant betrokkene met een vergoeding van de vakantie-uren over 2,3 jaar (ruim 27,5 maand) niet tekort heeft gedaan.

Omdat de omvang van de vergoedingsplicht ingevolge de aangevallen uitspraak, gelet op het arrest KSH/Schulte, een te groot tijdvak beslaat, slaagt het hoger beroep van appellant. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarin is neergelegd dat betrokkene over het tijdvak vanaf 2004 aanspraak heeft op betaling van de niet genoten vakantie-uren rekening houdend met het minimum van 144 uur per jaar.

Omdat betrokkene bij het besluit van 14 december 2011 niet te kort is gedaan, kan dit in rechte stand houden en zal de Raad het beroep van betrokkene daartegen ongegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2013/68
ABkort 2013/49

Uitspraak

11/1370 AW, 11/7329 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2011, 10/2160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Veiligheid en Justitie, thans de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (appellant)

[A. te B. ] (betrokkene)

Datum uitspraak: 20 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.H.M. Klerks een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft naar aanleiding van vragen van de Raad het hoger beroep nader toegelicht en bij besluit van 14 december 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens betrokkene heeft mr. K. ten Broek een zienswijze op het besluit van 14 december 2011 gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Kleine. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. K. ten Broek.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene is vanaf 1 maart 2001 bij [werkgever] aangesteld geweest en met ingang van 16 mei 2009 ontslagen. Vanaf 8 maart 2003 tot aan de ontslagdatum is betrokkene (gedeeltelijk) met ziekteverlof geweest. Bij het einde van betrokkenes dienstverband is haar onder toezending van de verlofkaarten over 2005, 2006 en 2007 bericht dat een verlofsaldo van 150 uur zal worden uitbetaald. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 februari 2010 vernietigd, verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. Kort samengevat zag de rechtbank niet een jegens betrokkene genomen (in rechte onaantastbaar) besluit met betrekking tot de beëindiging van de opbouw van vakantie-uren na 26 weken van arbeidsongeschiktheid. Voorts achtte de rechtbank het besluit van 11 februari 2010 in strijd met artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn 2003/88) alsmede met onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: Hof) van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., LJN BH0693, NJ 2009, 252 (en niet gepubliceerd onder nummer LJN BK4648, zoals in de aangevallen uitspraak is vermeld). Met afwijzing van het beroep van appellant op verjaring oordeelde de rechtbank dat betrokkene over het tijdvak vanaf 2004 aanspraak had op betaling van de niet genoten vakantie-uren rekening houdend met een minimum aantal van 144 uur per jaar.

3.1. Naar aanleiding van een drietal uitspraken van de Raad van 18 juli 2011(LJN BR0265 en TAR 2011, 162; LJN BR0267 en TAR 2011, 160; LJN BR0268 en TAR 2011, 161) heeft appellant het hoger beroep beperkt tot de omvang van de vergoeding ten gevolge van de aangevallen uitspraak. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 14 december 2011 is betrokkene een aanspraak toegekend op uitbetaling van in totaal 331,2 vakantie-uren; hierbij is toepassing gegeven aan artikel 24, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), inhoudend dat ter gelegenheid van ontslag maximaal de vakantie-uren over twee jaren voor uitbetaling in aanmerking kunnen komen. Appellant is van opvatting dat een verdergaande terugwerkende kracht niet vereist is.

3.2. Betrokkene handhaaft het standpunt dat 144 jaarlijkse vakantie-uren vanaf 2004 (onder aftrek van in een enkel jaar genoten vakantie-uren) voor uitbetaling in aanmerking moeten komen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met het nieuwe besluit van 14 december 2011 is niet geheel aan het beroep tegemoet gekomen. Daarom beoordeelt de Raad op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook dat besluit.

4.2. In de onder 3.1 genoemde uitspraak van de Raad LJN BR0265 en TAR 2011, 162 heeft de Raad met name naar aanleiding van het arrest Schultz-Hoff e.a. geoordeeld dat artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig bepaald is om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen, ten einde de toepassing van nationale bepalingen die niet met artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 stroken, te verhinderen. Dit betekent dat elke werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon gedurende vier weken. Ingevolge het arrest Schultz-Hoff e.a geldt voorts dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet vervalt aan het einde van een referentieperiode en/of van een naar nationaal recht vastgestelde overdrachtsperiode, wanneer de werknemer met ziekteverlof is geweest tijdens de gehele referentieperiode of een deel ervan en niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit hem door Richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken.

4.3. In het arrest van 22 november 2011, C-214/10, KHS/Schulte (LJN BU6678, NJ 2012, 54) heeft het Hof het zojuist genoemde oordeel uit het arrest Schultz-Hoff herhaald, maar is dit oordeel tevens genuanceerd voor de situatie dat de werknemer gedurende meerdere opeenvolgende referentieperioden [jaren] arbeidsongeschikt is. Een recht op onbeperkte cumulatie van rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon beantwoordt niet meer aan het doel zelf van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, te weten het uitrusten van de opgelegde taken en het beschikken over een periode van ontspanning en vrije tijd. Er is dus geen recht op het onbeperkt cumuleren wanneer de werknemer gedurende meerdere opeenvolgende jaren arbeidsongeschikt is en zijn jaarlijkse vakantie niet tijdens die periode kan opnemen. Het Hof heeft in dit arrest aanvaardbaar geacht dat nationale bepalingen of gebruiken een overdrachtsperiode van 15 maanden hanteren bij het verstrijken waarvan het recht op dergelijke vakantie vervalt.

4.4. Het hoger beroep van appellant en het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 december 2011 brengen mee dat de Raad de vraag moet beantwoorden of Richtlijn 2003/88 en de daaraan in het bijzonder in het arrest KHS/Schulte gegeven uitleg van het Hof meebrengen dat betrokkene aanspraak heeft op uitbetaling van meer dan 331,2 vakantie-uren, zijnde alle vakantie-uren over een tijdvak van twee jaar.

4.5. Het door appellant op betrokkene toegepaste artikel 24, eerste lid, van het ARAR houdt in:

‘Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur vakantie dat hij niet heeft opgenomen een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar, uitgaande van het salaris en de werktijd zoals die direct voorafgaand aan het ontslag voor de ambtenaar golden en de leeftijd welke hij bereikt in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd.’

4.6. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 18 juli 2011, LJN BR0265 en TAR 2011, 162, al heeft geconstateerd, laat de circulaire van 4 februari 2010 (2010-0000074965) zien dat de artikelen 22 en 23 van het ARAR (en de daarop gebaseerde uitvoeringspraktijk) niet in lijn zijn met Richtlijn 2003/88. Aangezien voorts bij het nieuwe besluit geen toepassing is gegeven aan de voor deze artikelen in deze circulaire in de plaats gestelde werkwijze, laat de Raad de aanvaardbaarheid van de circulaire in verband met de eisen die gesteld kunnen worden aan een overdrachtsperiode buiten beschouwing.

4.7. Gelet op de uitkomst van het besluit van 14 december 2011 stelt de Raad vast dat de voor betrokkene getroffen regeling een aanspraak geeft die overeenstemt met het minimum aantal vakantie-uren behorend bij (331,2:144=) 2,3 kalenderjaren. Gelet op het oordeel van het Hof over de overdrachtsperiode van 15 maanden in het arrest KHS/Schulte kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat appellant betrokkene met een vergoeding van de vakantie-uren over 2,3 jaar (ruim 27,5 maand) niet tekort heeft gedaan.

4.8. Omdat de omvang van de vergoedingsplicht ingevolge de aangevallen uitspraak, gelet op het arrest KSH/Schulte, een te groot tijdvak beslaat, slaagt het hoger beroep van appellant. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarin is neergelegd dat betrokkene over het tijdvak vanaf 2004 aanspraak heeft op betaling van de niet genoten vakantie-uren rekening houdend met het minimum van 144 uur per jaar.

4.9. Omdat betrokkene bij het besluit van 14 december 2011 niet te kort is gedaan, kan dit in rechte stand houden en zal de Raad het beroep van betrokkene daartegen ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) J.T.P. Pot