Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
11-3454 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de WAO toe te kennen. Zorgvuldig onderzoek naar de mogelijke arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3454 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 april 2011, 10/3598 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 28 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Wit hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd onder toezending van nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2012. Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als begeleidster in de sociale psychiatrie. In april 2002 heeft zij de omvang van haar werkzaamheden teruggebracht en met ingang van juni 2003 heeft appellante haar werkzaamheden volledig beƫindigd.

1.2. Appellante heeft op 18 november 2009 een aanvraag bij het Uwv ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met een aandoening die zij sedert haar 14e jaar heeft. Appellante heeft gesteld dat zij om medische redenen in 2002 de uren van haar dienstverband heeft verminderd en in 2003 haar werkzaamheden om medische redenen, verband houdend met die aandoening, volledig heeft beƫindigd.

1.2. Bij besluit van 9 juli 2010 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat er in 2002 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en een eerste ziektedag niet kan worden vastgesteld. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen deze afwijzing van de WAO-uitkering bij besluit van 10 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, op de grond dat uit het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv is gebleken dat er in 2002 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de in 2010 door een verzekeringsarts van het Uwv geconstateerde en in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) neergelegde beperkingen voor het verrichten van arbeid ook in 2002 aanwezig waren en dat haar fysieke toestand in 2010 zelfs beter was dan in 2002, als gevolg van een door haar vanaf 2009 gevolgd pijnprogramma en omdat zij niet meer werkte. De thans voorhanden zijnde gegevens bevatten volgens appellante voldoende objectieve aanwijzingen dat er een medische noodzaak was voor appellante om haar werkzaamheden in 2002 te verminderen en uiteindelijk in 2003 te staken. De eerste dag van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de WAO is volgens haar dan ook gelegen in april 2002.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het onderzoek naar de mogelijke arbeidsongeschiktheid van appellante zorgvuldig is verricht. De medische gegevens van appellante zijn door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij de behandelend sector opgevraagd en bij hun beoordeling betrokken. Het Uwv is volgens de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat niet kan worden vastgesteld dat appellante als gevolg van een medische noodzaak haar werkzaamheden heeft gestaakt. De rechtbank heeft bij haar beoordeling in aanmerking genomen dat - in lijn met vaste rechtspraak van de Raad - gelet de laattijdige aanvraag, het feit dat de medische situatie van appellante op de vermeende datum van arbeidsongeschiktheid niet meer met zekerheid is vast te stellen, voor haar rekening en risico dient te komen.

4. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd, naast hetgeen zij in beroep heeft gesteld, dat er voldoende steun is voor haar stelling dat zij vanwege medische noodzaak in april 2002 minder uren is gaan werken, dat hieruit blijkt dat er geen medische interventies met betrekking tot de bij haar vastgestelde scoliose zijn geweest tussen april 2002 en februari 2010 en dat dus de in 2010 vastgestelde beperkingen er bij haar ook al in 2002 waren.

5. De Raad overweegt met betrekking tot de aangevallen uitspraak als volgt.

5.1. Het hoger beroepschrift bevat gronden van medische aard gelijk aan die welke bij de rechtbank naar voren zijn gebracht. De rechtbank heeft deze gronden op juiste wijze besproken. Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv zich bij het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts.

5.1.1. Uit het door appellante aangevoerde gegeven dat er tussen 2002 en 2010 geen medische interventies zijn geweest met betrekking tot de scoliose vloeit niet voort dat appellante in 2002 haar werkzaamheden heeft verminderd wegens het bestaan van beperkingen voor het verrichten van haar arbeid of wegens het anderszins ontstaan van al of niet gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van de relevante sociale zekerheidswetten. Of dat het geval is moet kunnen blijken uit een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, onderscheidenlijk een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek, dat ziet op de datum die van belang is. Terecht heeft het Uwv zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat, nu het om een relatief laattijdige claim gaat, het risico dat in een dergelijk onderzoek de verzekeringsgeneeskundige toestand van appellante niet meer met zekerheid is vast te stellen voor haar rekening dient te blijven.

5.1.2. Uit het door het Uwv gehouden verzekeringsgeneeskundig onderzoek is een wijziging van appellantes belastbaarheid in de relevante periode niet naar voren gekomen. Appellante heeft zich niet ziek gemeld bij haar werkgever. De vermindering van haar arbeidsuren volgde op het ouderschapsverlof dat appellante heeft genomen na de geboorte van haar tweede kind.

5.2. De eerst in hoger beroep ingediende verklaringen leiden niet tot het door appellante gewenste resultaat. Op geleide van een vraagstelling van de gemachtigde van appellante schrijft de revalidatiearts dr. J.P. van den Berg in een brief van 29 augustus 2011 dat het zeer waarschijnlijk is geweest dat de - wat hij noemt - beschreven beperking, bedoeld zal zijn beperkingen, bij appellante op 1 februari 2010, eveneens gelding hadden in april 2002. Uit die brief blijkt dat hij het anamnestisch verkregen gegeven hanteert dat appellante haar werkzaamheden in het verleden heeft teruggebracht gezien het bestaan van haar rugklachten, vermoeidheidsklachten en scoliose. Dit anamnestisch gegeven is nu juist in geschil tussen partijen. Het is niet duidelijk hoe deze revalidatiearts dit gegeven weegt alvorens tot zijn conclusie te komen. Uit deze brief is voorts niet af te leiden dat de bezwaarverzekeringsarts niet een zorgvuldig onderzoek heeft verricht, dan wel dat zijn rapport anderszins niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

5.3. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.2 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) K.E. Haan

QH