Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
11-643 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad merkt in de eerste plaats op dat de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden voor het eerst bij besluit 1 duidelijk in de tijd en naar zijn bewoordingen binnen het beoordelingstijdvak gemarkeerd zijn. Appellante heeft de (on)juistheid daarvan dus niet eerder aan de orde kunnen stellen. Een voldoende eindoordeel van een beoordeling laat onverlet dat uitdrukkelijk vermelde negatieve (deel)aspecten van de gegeven waardering in het beoordelingstijdvak inzichtelijk behoren te zijn en dat het op de weg van het bevoegd gezag ligt om daarvoor de benodigde onderbouwing aan te dragen (CRvB 9 december 2004, LJN AR7783). Nu het hieraan ontbreekt en het college er inmiddels tweemaal niet in is geslaagd om een draagkrachtig gemotiveerd besluit over de beoordeling te nemen, acht de Raad, mede gelet op de proceshouding van het college na de tussenuitspraak, de conclusie gerechtvaardigd dat het college kennelijk niet in staat is om een deugdelijk gemotiveerde beoordeling over de in geding zijnde periode vast te stellen. Daarom zal de Raad overeenkomstig het verzoek van appellante het besluit van 22 juli 2009 herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/162
TAR 2013/80
AB 2014/216

Uitspraak

11/643 AW, 12/4431 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 10/44 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)

Datum uitspraak: 10 december 2012

PROCESVERLOOP

Voor de weergave van het procesverloop verwijst de Raad naar de weergave van het procesverloop in zijn tussenuitspraak van 29 maart 2012, 11/643 AW-T (LJN BW1737 en TAR 2012, 119). Bij die uitspraak heeft de Raad het college opgedragen het motiveringsgebrek in het bestreden besluit van 8 december 2009 te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college een besluit van 22 mei 2012 genomen (besluit 1).

Appellante heeft hierop een zienswijze gegeven.

Het college heeft op verzoek van de Raad schriftelijk gereageerd.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Aan de tussenuitspraak ontleent de Raad de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

“1.1. Appellante is sedert 1 juli 2004 werkzaam als projectleider bij de sector [C.] van de gemeente Weert. Over haar functioneren in de periode 1 september 2006 tot 1 september 2007 is een beoordeling vastgesteld (beoordeling 1) die na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 2 september 2008. Hangende het tegen dat besluit ingestelde beroep is op 30 oktober 2008 een volgende, over de periode 11 februari 2008 tot 1 oktober 2008 opgemaakte, beoordeling (beoordeling 2) met appellante besproken.

1.2. Voordat beoordeling 2, bij besluit van 22 juli 2009, met enkele aanpassingen werd vastgesteld, heeft het college (de bij besluit van 2 september 2008 gehandhaafde) beoordeling 1 ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van (9 lees:) 2 september 2008 niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 15 september 2009. Appellante heeft tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Het college heeft het tegen beoordeling 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 8 december 2009 (bestreden besluit).”

2. Nadat de rechtbank het bestreden besluit in stand had gelaten, oordeelde de Raad in zijn tussenuitspraak dat het bestreden besluit een ondeugdelijke motivering had. Met de intrekking van beoordeling 1 werd beoogd die beoordeling volledig teniet te doen. Verwijzingen naar het eerdere functioneren en naar een ontwikkeling die haar begin heeft in de tijd die voorafgaat aan beoordeling 2, behoren daarom niet in deze beoordeling te worden vermeld. Daarom zijn - zo werd bij wijze van voorbeeld opgemerkt - inleidende opmerkingen over het doel van de beoordeling niet passend. Niet juist is dat gesproken wordt over problemen “die eerder aan de orde zijn gesteld”; evenmin, dat appellante zich “de afgelopen periode” goed hervonden heeft, dat zij “op dit moment” werkvreugde uitstraalt, dat er sprake is van “de coachingstrajecten”, en dat appellante “inmiddels” of “op dit moment” iets goed oppakt of ergens blijk van geeft. Het college moest, indien het niet alsnog ingaat op het verzoek van appellante om de beoordeling van 22 juli 2009 in te trekken, een nieuw beoordelingsformulier vaststellen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen.

2.1. Het college heeft bij besluit 1 in een nieuw beoordelingsformulier een nieuwe beoordeling vastgesteld. Het heeft daarbij niet het oorspronkelijke bestreden besluit van

8 december 2009 en de daaraan ten grondslag liggende beoordeling 2 ingetrokken. Ook in de begeleidende brief is een zodanige beslissing niet opgenomen. Omdat het bestreden besluit van 8 december 2009 op een ondeugdelijke motivering berust, zal de Raad dat besluit vernietigen, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

3. Met besluit 1 is niet geheel aan het beroep tegemoet gekomen. Daarom beoordeelt de Raad op grond van artikel 6:19 van de Awb ook dat besluit.

3.1. Bij de nieuwe beoordeling in besluit 1 is het beoordelingstijdvak gewijzigd in 1 april 2008 tot 1 oktober 2008. Bij de bespreking van de input maakt het college vervolgens melding van tamelijk snel na 1 april 2008 door het nieuwe afdelingshoofd geconstateerde tekortkomingen, meteen gemaakte werkafspraken en op verbetering gerichte coaching.

De twijfels over het functioneren door deze tekortkomingen zouden dankzij het coachingtraject op 1 oktober 2008 weggenomen zijn. Er is vervolgens sprake van een vervolg van de coachinglijnen. Bij de bespreking van het werkgedrag en de output wordt bij diverse aspecten in verschillende bewoordingen melding gemaakt van doorgemaakte ontwikkelingen en opgetreden verbeteringen dankzij geboden hulp. Het eindoordeel luidt evenals voorheen dat appellante voldoende geschikt is voor de functie van projectleider.

3.2. De kritiek van appellante op het niet vermelden van het doel van de beoordeling slaagt niet. Gelet op de intrekking van de beoordeling over het voorafgaande tijdvak en gelet op de opdracht van de Raad in zijn tussenuitspraak is het niet onjuist dat het college de nieuwe beoordeling zonder nader omschreven doel heeft vastgesteld. Ook de overige kritiekpunten inzake formele aspecten snijden geen hout.

3.3. Door de niet nader toegelichte aanpassing van het beoordelingstijdvak met als aanvangsdatum 1 april 2008, dezelfde datum als die waarop een nieuw afdelingshoofd aantrad, en door de - nagenoeg niet onderbouwde - vaststelling van het onvoldoende functioneren van appellante op of vrijwel onmiddellijk na 1 april 2008 te verbinden met dat nieuwe afdelingshoofd wordt naar het oordeel van de Raad (impliciet) toch weer teruggegrepen op de periode gelegen voor de aanvang van het beoordelingstijdvak. Dat in wezen de band met het voorafgaande tijdvak nog immer is gehandhaafd, blijkt ook uit de omstandigheid dat in de nieuwe beoordeling nog steeds niet alle negatief gekleurde verwijzingen naar het verleden zijn verdwenen. De Raad wijst bijvoorbeeld op de passage “In de praktijk heeft dit problemen veroorzaakt”, die onmiskenbaar teruggrijpt op de tijd voor het beoordelingstijdvak. Dit betekent dat het college met besluit 1 niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak van de Raad. Reeds om die reden slaagt het beroep van appellante en komt besluit 1 voor vernietiging in aanmerking.

3.4. Appellante heeft in haar zienswijze de juistheid van gestelde (aanvankelijke) tekortkomingen betwist. Zij heeft het college verzocht zijn stellingen te onderbouwen. Het college is in zijn schriftelijke reactie op geen van die kwesties ingegaan. In de gedingstukken heeft de Raad ook overigens geen onderbouwing aangetroffen voor het standpunt van het college.

3.5. De Raad merkt in de eerste plaats op dat de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden voor het eerst bij besluit 1 duidelijk in de tijd en naar zijn bewoordingen binnen het beoordelingstijdvak gemarkeerd zijn. Appellante heeft de (on)juistheid daarvan dus niet eerder aan de orde kunnen stellen. Een voldoende eindoordeel van een beoordeling laat onverlet dat uitdrukkelijk vermelde negatieve (deel)aspecten van de gegeven waardering in het beoordelingstijdvak inzichtelijk behoren te zijn en dat het op de weg van het bevoegd gezag ligt om daarvoor de benodigde onderbouwing aan te dragen (CRvB 9 december 2004, LJN AR7783). Nu het hieraan ontbreekt en het college er inmiddels tweemaal niet in is geslaagd om een draagkrachtig gemotiveerd besluit over de beoordeling te nemen, acht de Raad, mede gelet op de proceshouding van het college na de tussenuitspraak, de conclusie gerechtvaardigd dat het college kennelijk niet in staat is om een deugdelijk gemotiveerde beoordeling over de in geding zijnde periode vast te stellen. Daarom zal de Raad overeenkomstig het verzoek van appellante het besluit van 22 juli 2009 herroepen.

4. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 324,- voor verleende rechtsbijstand in beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 december 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 mei 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 22 juli 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 265,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 324,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2012.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) M.R. Schuurman