Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
11-825 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Appellant heeft niet voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/825 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2010, 10/4772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 21 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 29 april 2010 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij zijn aanvraag heeft hij opgegeven dat hij een eigen woning bezit en dat hij daar woont. Het betreft een eenkamerappartement op het adres [adres] (opgegeven adres).

1.2. Op 7 juni 2010 heeft met appellant een gesprek plaatsgevonden bij de Dienst werk en inkomen (DWI). Appellant heeft bij die gelegenheid verklaard dat er sinds 31 mei 2010 een kennis van hem in zijn appartement woont. Vanwege geldgebrek is hij daar zelf niet veel, slechts ongeveer twee keer per week. Hij verblijft regelmatig bij zijn moeder of haar hulpbehoevende buurman in Diemen of bij een goede vriend in Bussum. Het gesprek is gevolgd door een huisbezoek op het opgegeven adres. Daar zijn vooral spullen van de inwonende kennis aangetroffen. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 9 juni 2010. De conclusie van het onderzoek is dat appellant geen hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres.

1.3. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 20 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2010 ongegrond verklaard op de grond dat appellant geen recht heeft op bijstand van het college omdat hij niet zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Amsterdam.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat hij wel degelijk in Amsterdam woont.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In artikel 40, eerste lid, van de WWB is - voor zover hier van belang - bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De hier te beoordelen periode loopt van 29 april 2010 tot en met 9 juni 2010.

4.3. Appellant heeft op 7 juni 2010 tegenover een medewerker van de DWI verklaard dat hij sinds een half jaar niet meer op zijn adres is, dat hij is gaan zwerven en drie keer in de week bij zijn vriend in Bussum en één keer per maand of drie keer in de week bij zijn moeder of haar hulpbehoevende buurman in Diemen verblijft. Hij verblijft twee keer per week in zijn appartement als hij er kan eten en drinken. Als hij niets voorhanden heeft, is hij bij anderen. Uit deze verklaring van appellant volgt dat hij het grootste deel van de week niet in de gemeente Amsterdam verbleef. De bevindingen van het huisbezoek sporen met de verklaring van appellant in die zin, dat daaruit moet worden afgeleid dat appellant toen niet zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. In de woning van appellant zijn geen recente poststukken van appellant en is niet de oplader van zijn mobiele telefoon aangetroffen. Evenmin bevond zijn administratie zich in die woning. Volgens de verklaring van appellant bevond die zich in Bussum. Zakken met kleding van appellant bevonden zich in de meterkast. Verder beschikte appellant niet over een sleutel van de berging van de woning. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is tijdens het huisbezoek wel vastgesteld dat een substantieel gedeelte van de inboedel in de woning toebehoorde aan de inwonende kennis van appellant. Hoewel appellant kan worden gevolgd in zijn standpunt dat dit gegeven op zichzelf niet hoeft te leiden tot het oordeel dat appellant geen woonplaats had in de gemeente Amsterdam, komt daaraan in het licht van de overige bevindingen van het huisbezoek wel betekenis toe, mede in aanmerking genomen dat sprake is van een een-kamerappartement.

4.4. In hoger beroep is ter ondersteuning van het andersluidende standpunt van appellant aangevoerd dat hij dagelijks in zijn woning kwam en dan in de loop van de middag of avond naar zijn vriend in Bussum of zijn moeder in Diemen vertrok. Wat hier ook van zij, dit latere standpunt, dat afwijkt van de eerdere verklaring, is in het licht van voormelde gegevens onvoldoende om van het door appellant gestelde hoofdverblijf in zijn woning uit te gaan.

4.5. Appellant heeft niet gesteld in de gemeente Amsterdam over een ander verblijfadres te beschikken. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellant in de periode hier van belang geen woonplaats had in de gemeente Amsterdam. Dat betekent dat appellant, gelet op artikel 40, eerste lid, van de WWB, jegens het college geen recht had op bijstand. De rechtbank heeft het bestreden besluit, waarbij de afwijzing van aanvraag van appellant is gehandhaafd, terecht in stand gelaten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.C. de Wit