Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7665

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
11-1036 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanleiding hoeven te zien om appellant op grond van dringende redenen van een of meer arbeidsverplichtingen ontheffing te verlenen. De stelling van appellant dat het moeten voldoen aan de arbeidsverplichtingen een groot risico met zich brengt dat hij de zorg voor zijn gezin niet meer kan opbrengen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Appellant heeft deze stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld met gegevens over (eventuele) gezinsproblematiek en over de mogelijkheden van zijn “partner” om te voorzien in de zorg voor de kinderen in het gezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1036 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2011, 10/3424 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 21 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 november 2012. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 28 september 2009 is aan appellant en zijn partner met ingang van 1 augustus 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand toegekend. In dat besluit is mededeling gedaan van de voor appellant en zijn partner ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB geldende arbeidsverplichtingen.

1.2. Op 8 december 2009 heeft een aan Achmea Vitale verbonden bedrijfsarts aan het college advies uitgebracht over de arbeidsgeschiktheid van appellant. Deze arts heeft op basis van een medisch onderzoek geconcludeerd dat appellant fulltime benutbare mogelijkheden heeft voor regulier werk, mits rekening wordt gehouden met zijn beperkingen voor zware lichamelijke inspanning, langdurig staan, zwaar tillen en voorovergebogen werken.

1.3. Bij besluit van 23 december 2009 heeft het college appellant meegedeeld dat de bijstand vanaf 23 december 2009 wordt gewijzigd in die zin dat, gelet op het advies van Achmea Vitale, met de in dat advies aangegeven beperkingen rekening zal worden gehouden bij het zoeken en aannemen van werk. De medische indicatie geldt blijkens dit besluit tot en met 7 december 2011.

1.4. Appellant heeft tegen het besluit van 23 december 2009 bezwaar gemaakt. Hij heeft naar voren gebracht dat hij in het geheel niet kan werken omdat hij lijdt aan diabetes, aan een angststoornis en aan depressieve klachten waarvoor hij wordt behandeld. Het college heeft daarin aanleiding gevonden aan Achmea Vitalis te vragen nader te adviseren. Een andere bedrijfsarts, P.G. Wiltink, heeft op 23 april 2010 rapport uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat appellant fulltime beschikbaar is te achten voor de arbeidsmarkt, mits daarbij rekening wordt gehouden met de in het advies van 8 december 2009 reeds opgenomen beperkingen, met dien verstande dat evenmin activiteiten onder tijdsdruk mogen worden verricht en dat zitten, staan en lopen moeten worden afgewisseld.

1.5. Bij besluit van 3 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft geen redenen aanwezig geacht appellant geheel of gedeeltelijk te ontheffen van zijn arbeidsverplichtingen dan wel andere beperkingen aan te nemen dan door de keuringsarts zijn vermeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat er geen dringende reden is hem te ontheffen van de arbeidsverplichtingen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat met zijn klachten, zoals deze in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht, onvoldoende rekening is gehouden en dat het moeten voldoen aan de arbeidsverplichtingen een groot risico met zich brengt dat hij de zorg voor zijn gezin niet meer kan opbrengen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank is ervan uitgegaan dat het college er bij de invulling van de arbeidsverplichtingen van appellant rekening mee moet houden dat voor appellant de beperkingen gelden zoals deze door bedrijfsarts C. Oudshoorn zijn vastgesteld en nadien door bedrijfsarts Wiltink zijn aangevuld. Ook de Raad gaat daarvan uit. In hoger beroep is met name in geschil of de medische beperkingen, zoals deze in de bezwaarfase uiteindelijk zijn vastgesteld, door de betrokken bedrijfsarts zijn onderschat.

4.2. Het medisch oordeel van bedrijfsarts Wiltink is gebaseerd op de door hem verrichte anamnese, mede aan de hand van een daartoe ingevulde, in beroep overgelegde vragenlijst. Uit het rapport van deze arts blijkt dat deze op de hoogte was van de door appellant gestelde klachten en dat hij tevens kennis heeft genomen van de door appellant naar het spreekuur meegenomen informatie over de door hem gebruikte medicijnen en over de behandeling van zijn psychische klachten door I-psy (interculturele psychiatrie). Deze bedrijfsarts heeft voorts bij appellant lichamelijk onderzoek verricht. Zoals uit 1.4 blijkt, zijn op basis van het onderzoek de medische beperkingen van appellant uitgebreid.

4.3. Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat appellant voor zijn klachten veel medicijnen voorgeschreven heeft gekregen, en dat sprake is van frequente contacten met de huisarts, maar appellant heeft daarmee nog niet onderbouwd dat, en zo ja om welke reden, het oordeel van bedrijfsarts Wiltink onjuist is.

4.4. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd kan ook anderszins geen grond worden gezien om het medisch oordeel van bedrijfsarts Wiltink voor onjuist te houden.

4.5. Dat betekent dat voor appellant in de periode tot 7 december 2011 de beperkingen voor arbeid golden zoals door bedrijfsarts Wiltink waren vastgesteld en dat het college, daarvan uitgaande, bij de invulling van de arbeidsverplichtingen daarmee gedurende de periode hier van belang rekening moest houden.

4.6. Het college heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanleiding hoeven te zien om appellant op grond van dringende redenen van een of meer arbeidsverplichtingen ontheffing te verlenen. De stelling van appellant dat het moeten voldoen aan de arbeidsverplichtingen een groot risico met zich brengt dat hij de zorg voor zijn gezin niet meer kan opbrengen, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Appellant heeft deze stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld met gegevens over (eventuele) gezinsproblematiek en over de mogelijkheden van zijn “partner” om te voorzien in de zorg voor de kinderen in het gezin.

4.7. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.C. de Wit