Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
11-986 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant op 14 juni 2010 geen aanvraag om bijstand heeft ingediend. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit niet met zich brengt dat de brief van 7 juli 2010 niet op rechtsgevolg is gericht. Duidelijk is immers dat het college met die brief met toepassing van artikel 4:5 van de Awb een beslissing heeft genomen. Tegen die beslissing stond bezwaar open. De rechtbank heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (vergelijk de uitspraak van de Raad van 13 september 2011, LJN BT1764). Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak wel terecht, bij gebreke van een aanvraag, het besluit van 7 juli 2010 heeft herroepen, hoeft de Raad niet zelf in de zaak te voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/986 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2010, 10/5068 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 21 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Appellant is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 14 juni 2010 bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam gemeld om bijstand aan te vragen. Bij die melding heeft de DWI aan appellant een formulier ‘boodschappenlijst bij aanvraag WWB/IOAW’ (formulier) gegeven. Daarop is vermeld dat hij op 7 juli 2010 een afspraak heeft voor een intakegesprek en dat hij voor dat intakegesprek diverse stukken moet verstrekken, waaronder een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier WWB. Het formulier bevat voorts de waarschuwing dat het niet tijdig op de afspraak verschijnen en/of het later inleveren van de gevraagde stukken er toe kan leiden dat de behandeling van de aanvraag vertraging oplevert.

1.2. Appellant is niet op dat gesprek verschenen. Hij heeft geen aanvraagformulier of andere stukken ingeleverd.

1.3. Met een brief van 7 juli 2010 heeft het college appellant meegedeeld dat is besloten de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Awb niet in behandeling te nemen.

1.4. Bij besluit van 8 september 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juli 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.

2. In beroep heeft het college naar voren gebracht dat de formulering van het primaire besluit niet juist is, omdat geen sprake is van een aanvraag. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 7 juli 2010 herroepen, het bezwaar tegen de brief van 7 juli 2010 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft aan haar oordeel het volgende ten grondslag gelegd. Nu appellant geen (schriftelijke) aanvraag heeft ingediend, kan de mededeling in de brief van 9 mei 2008 dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen, niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Deze mededeling is immers niet op rechtsgevolg gericht. Het bezwaar tegen deze brief had daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant wel een aanvraag heeft ingediend. Hij heeft zich op 14 juni 2010 gemeld om bijstand aan te vragen. Die melding dient te worden aangemerkt als een aanvraag om bijstand. Bovendien heeft hij zich voorafgaand aan het intakegesprek voor dat gesprek afgemeld. Het college had hem in de gelegenheid moeten stellen om een nieuwe afspraak te maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:1 van de Awb bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

4.2. Artikel 43, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststelt.

4.3. Artikel 44 van de WWB luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of vierde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede of derde lid.

3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.”

4.4. De stelling van appellant dat de melding op 14 juni 2010 als een aanvraag moet worden aangemerkt, treft geen doel. Uit artikel 43, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 4:1 van de Awb volgt immers dat een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden gedaan. Uit artikel 44 van de WWB volgt voorts dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn.

4.5. Vaststaat dat appellant in de periode na de melding op 14 juni 2010 tot en met de beslissing op 7 juli 2010 geen aanvraag heeft ingediend. Hij heeft het aan hem op 14 juni 2010 verstrekte aanvraagformulier niet ingevuld en ingeleverd en ook anderszins geen aanvraag ingediend. De beschikbare gegevens bieden geen steun voor het standpunt dat appellant zich tijdig voor het intakegesprek heeft afgemeld noch dat hij anderszins contact heeft opgenomen met de DWI. Reeds hierom wordt appellant niet gevolgd in zijn beroepsgrond dat hem naar aanleiding van zijn bericht van verhindering een nieuwe gelegenheid had moeten worden geboden om zijn aanvraag in te dienen. Uit artikel 44, tweede lid, van de WWB vloeit voort dat de belanghebbende in staat moet worden gesteld een aanvraag in te dienen. Aan die verplichting is in beginsel voldaan met het verstrekken van het daarvoor bestemde aanvraagformulier.

4.6. Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant op 14 juni 2010 geen aanvraag om bijstand heeft ingediend. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit niet met zich brengt dat de brief van 7 juli 2010 niet op rechtsgevolg is gericht. Duidelijk is immers dat het college met die brief met toepassing van artikel 4:5 van de Awb een beslissing heeft genomen. Tegen die beslissing stond bezwaar open. De rechtbank heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (vergelijk de uitspraak van de Raad van 13 september 2011, LJN BT1764). Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak wel terecht, bij gebreke van een aanvraag, het besluit van 7 juli 2010 heeft herroepen, hoeft de Raad niet zelf in de zaak te voorzien.

5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van

7 juli 2010 niet-ontvankelijk is verklaard;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 437,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,--vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.C. de Wit