Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
08-848 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vervoersvoorziening. Zorgvuldig, inzichtelijk en consistent onderzoek door de Raad benoemde deskundige. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van andere, door een partij geraadpleegde, deskundigen is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. De mobiliteitsproblemen worden niet veroorzaakt door een aandoening met dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/848 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 december 2007, 07/114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 27 december 2012

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken is in deze zaak de Minister van Defensie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de staatssecretaris verstaan.

Namens appellant heeft mr. P.M. Groenhart hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. Groenhart. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de minister in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door appellant ingediende medische rapporten. De minister heeft een reactie ingezonden. Appellant heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 7 juli 2011. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. Groenhart. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Adang.

Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en dr. H.J. Mencke, orthopedisch chirurg, tot deskundige benoemd. De deskundige heeft rapport uitgebracht. Partijen hebben gereageerd onder overlegging van medische rapporten. De deskundige heeft een nader rapport uitgebracht. Hierop hebben partijen opnieuw gereageerd onder overlegging van medische rapporten.

Een nieuwe zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Adang.

OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, geboren in 1927, heeft militaire dienst verricht in het voormalig Nederlands-Indië. In 1949 heeft hij in de uitoefening van zijn dienst een schotwond opgelopen in het linker bovenbeen. Bij brief van 3 september 2004 heeft hij verzocht om een vervoersvoorziening.

1.2. Bij besluit van 11 mei 2005 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant op grond van zijn dienstverbandaandoening(en) gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 23 november 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Het bestreden besluit berust op de overweging dat appellant ten gevolge van de schotverwonding geen beperkingen in zijn mobiliteit ondervindt. Verweerder is daarbij afgegaan op een rapport van de arts H. Yard van 26 januari 2004 en op de resultaten van een op 23 december 2004 ingesteld militair geneeskundig onderzoek (MGO). Aan dat MGO lagen onder meer een rapport van een eerder MGO, een rapport van de radioloog J.N.Th. de Bruin, een onderzoeksverslag van de chirurg dr. A.R. Koomen en gegevens van de huisarts ten grondslag. De rechtbank achtte een en ander een voldoende grondslag voor het door verweerder ingenomen standpunt.

3.2. In hoger beroep heeft appellant rapporten van de chirurg H.G.J. Voesten en de arts L.D. van der Schuur overgelegd. Hieruit komt onder meer naar voren dat de kogel zich op een andere plaats in het lichaam bevindt dan voorheen werd aangenomen, dat fragmenten van de kogel zijn afgespat, dat sprake is van ernstige aantasting van spieren en/of zenuwen en dat de mogelijkheid van een loodvergiftiging niet valt uit te sluiten.

3.3. De door de Raad benoemde deskundige Mencke heeft op basis van de zich in het dossier bevindende medische gegevens, lichamelijk onderzoek en nader gemaakte röntgenfoto's geconcludeerd dat de loopstoornissen van appellant niet zijn veroorzaakt door de schotverwonding maar door andere aandoeningen, te weten een gegeneraliseerde arthrotische stijfheid, rugklachten op basis van een gegeneraliseerde spondylose en een doorgemaakte wervelinzakking, coxarthrose beiderzijds, ernstige beiderzijdse veneuze insufficiëntie, en een matige arteriële voorziening van het linkerbeen. In zijn nadere rapport heeft Mencke deze conclusies gehandhaafd. Hij heeft de kogelbaan beschreven en aangegeven dat en waarom van enige traumatische schade richting heupgewricht geen sprake is en ook niet kan zijn. Tevens is hij ingegaan op de door appellant per CD-ROM aangeleverde foto's en CT-scans. Van zenuwbeschadiging is zijns inziens geen sprake, omdat dan al direct na het ongeval sprake had moeten zijn van zenuwuitval.

3.4. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het door Mencke uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van andere, door een partij geraadpleegde, deskundigen is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Ook overigens geven de door appellant nog in een zeer laat stadium, op 2 november 2012 overgelegde medische stukken daartoe geen aanleiding. Die tegenrapporten, waaronder een rapport van 11 juli 2012 omtrent een door de radioloog M. van Leeuwen gemaakte CT scan, werpen geen wezenlijke vragen op die niet reeds in het (nadere) rapport van Mencke met voldoende kracht van overtuiging zijn beantwoord.

3.5. De Raad volgt de minister dan ook in zijn standpunt dat de mobiliteitsproblemen niet worden veroorzaakt door een aandoening met dienstverband. Dit betekent dat de gevraagde vervoersvoorziening op goede gronden is geweigerd.

3.6. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2012.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen