Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
11-2350 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2350 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2011, 10/1289 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klijnstra en [C.], zoon van appellante, die als tolk heeft gefungeerd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als boekettensamenstelster. Op 10 augustus 2007 heeft zij zich, tijdens een periode van werkloosheid ter zake waarvan zij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens lage rug- en nekklachten.

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 7 augustus 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In dat kader heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. Omdat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen ten aanzien van reiken en buigen volgens de bezwaarverzekeringsarts te sterk waren aangezet, zijn deze beperkingen geschrapt. Wel heeft de bezwaarverzekeringsarts preventief een beperking noodzakelijk geacht voor langdurig bovenhands werken en langdurig gebogen werken. Met inachtneming van de gewijzigde FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige vervolgens geoordeeld dat de geduide functies onveranderd geschikt zijn voor appellante.

1.4. Bij besluit van 19 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar beperkingen die voortvloeien uit het bij haar gediagnosticeerde gegeneraliseerd pijnsyndroom. Voorts heeft appellante verwezen naar brieven van de behandelend revalidatiearts, de reumatoloog en de neuroloog. In het bijzonder heeft appellante gesteld dat ten onrechte geen rekening is gehouden met beperkingen ten aanzien van buigen en reiken en met de omstandigheid dat zij voortdurend van houding dient te wisselen. Tenslotte heeft appellante aangevoerd dat de geduide functies voltooid basisonderwijs vereisen aan welke eis appellante niet voldoet omdat ze de basisschool in [D.] niet heeft afgemaakt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten om over de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 9 augustus 2010 toereikend onderbouwd dat in de FML voldoende rekening is gehouden met de bevindingen van de specialisten bij wie appellante onder behandeling is. De bezwaarverzekeringsarts is bij de vaststelling van de beperkingen van appellante uitgegaan van een chronisch pijnsyndroom. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 25 januari 2010 op navolgbare wijze uiteengezet dat preventief een beperking noodzakelijk is voor langdurig bovenhands werken en langdurig gebogen werken. Nu er geen afwijkingen aan de onderrug zijn geconstateerd is er volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden om aan te nemen dat sprake zou moeten zijn van een afwisseling in zitten, staan en lopen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 23 juni 2011 op inzichtelijke wijze uiteengezet dat zij bij haar eigen medisch onderzoek heeft vastgesteld dat appellante minstens 90 graden kan buigen. In verband met gegeneraliseerde pijnervaringen in het lichaam heeft de bezwaarverzekeringsarts wel gemeend de duurbelasting van buigen en bovenhands werken te moeten beperken. Omdat aan de schouders geen afwijkingen zijn vastgesteld is er geen reden om reiken te beperken. Er bestaat geen aanleiding de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts hieromtrent in twijfel te trekken.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is vervolgens de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies als voor appellante in medisch opzicht geschikt kunnen worden aangemerkt. Naar aanleiding van vragen die door de Raad aan het Uwv zijn gesteld, heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij rapportage van 13 oktober 2011 een toelichting gegeven op de medische geschiktheid van de voor de schatting gebruikte functie van productiemedewerker industrie. Tevens heeft de bezwaararbeidsdeskundige vermeld, in tegenstelling tot hetgeen eerder door de primair arbeidsdeskundige is te kennen gegeven, dat de signaleringen op een tweetal items (7.1. en 7.3) wel degelijk deel uitmaken van de beoordeling. Met inbegrip hiervan kunnen de functies aan de vaststelling van het verlies aan verdienvermogen ten grondslag worden gelegd. De Raad ziet geen reden om de bezwaararbeidsdeskundige niet te volgen in de conclusies.

4.3. Vaststaat dat voor het vervullen van de geduide functies voltooid basisonderwijs is vereist. Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat zij niet aan deze eis voldoet. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 14 oktober 2009 valt op te maken dat deze appellante expliciet heeft gevraagd of zij de lagere school in [D.] heeft afgerond, waarop appellante bevestigend heeft geantwoord. Er bestaat geen aanleiding om appellante niet hieraan te houden, te meer nu die verklaring van appellante bevestiging vindt in een door de arbeidsdeskundige opgesteld plan van aanpak uit 2008.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Gelet op het feit dat, zoals aangehaald in 4.2, eerst in hoger beroep een volledige toelichting is gegeven op de geschiktheid van appellante voor de geduide functies, bestaat er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en tot een bedrag van € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1748,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1748,--;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en T. Hoogenboom en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2012.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.J. van Gendt