Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7625

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
11-7217 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de in artikel 9, tweede lid, van de WWB neergelegde verplichtingen, met uitzondering van de verplichting om mee te werken aan onderzoeken naar de mogelijkheden om aan het werk te gaan en naar voorzieningen die op werk gericht zijn. De gehandhaafde verplichting is niet in strijd met het advies van PDS, aangezien uit dat advies niet blijkt dat appellant in het geheel niet kan worden belast met onderzoek naar zijn mogelijkheden om aan het werk te komen of aan bepaalde voorzieningen deel te nemen. PDS adviseert de situatie van appellant over een jaar opnieuw te bekijken. Het college mocht dan ook vasthouden aan het in zijn beleid neergelegde uitgangspunt dat, ook als sprake is van een ontheffing van alle overige arbeidsverplichtingen, de verplichting om mee te werken aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling wordt gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7217 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 oktober 2011, 11/2511 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 21 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuiper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2012. Voor appellant is

mr. Kuiper verschenen. Het college heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 17 december 2001 van het college bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 26 oktober 2009 heeft Psychodiagnostiek Diagnose Service (PDS) onderzoek gedaan naar de psychische belastbaarheid van appellant. Uit het daarvan opgemaakte rapport blijkt onder meer dat de psychische belastbaarheid van appellant zeer beperkt is en dat hij om die reden niet belastbaar is met enig traject. PDS heeft geadviseerd voor appellant een rusttraject in te zetten en om over 1 jaar te bekijken of de situatie van appellant is veranderd.

1.3. Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft het college op basis van het onder 1.2 bedoelde advies aan appellant met ingang van 1 november 2010 en tot 31 oktober 2012 ontheffing verleend van de in artikel 9, tweede lid, van de WWB neergelegde verplichtingen, met uitzondering van de verplichting om mee te werken aan onderzoeken naar de mogelijkheden om aan het werk te gaan en naar voorzieningen die op werk gericht zijn.

1.4. Bij besluit van 7 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij overwogen dat het de mogelijkheid wil openhouden door middel van onderzoek vast te stellen of appellant op enig moment wel belastbaar is en in staat is deel te nemen aan een bepaalde voorziening of om werk te aanvaarden. Dat kan aan de orde zijn als de medische behandeling die appellant ondergaat zijn belastbaarheid vergroot. Het college heeft in het bestreden besluit te kennen gegeven dat het niet de bedoeling is om de bestreden verplichting te handhaven teneinde appellant te verplichten mee te werken aan een traject. Het bestreden besluit is volgens het college in overeenstemming met het hieromtrent vastgestelde beleid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de gezondheidstoestand van appellant niet dusdanig uitzichtloos is te noemen dat ook ontheffing had moeten worden verleend van de verplichting om mee te werken aan onderzoeken naar de belastbaarheid. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat van de zijde van het college ter zitting is meegedeeld dat toekomstige beoordelingen van de gezondheidstoestand van appellant zo kunnen worden uitgevoerd dat appellant daarbij niet wordt belast. Wanneer uit informatie van de behandelende sector blijkt dat de gezondheidstoestand van appellant niet anders is dan ten tijde van het besluit van 14 oktober 2010, wordt die informatie toereikend geacht en zal appellant niet worden opgeroepen voor een medisch onderzoek.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd, samengevat, dat de door het college gehandhaafde verplichting niet strookt met het advies van PDS.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te komen tot een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank is gekomen. De gehandhaafde verplichting is niet in strijd met het advies van PDS, aangezien uit dat advies niet blijkt dat appellant in het geheel niet kan worden belast met onderzoek naar zijn mogelijkheden om aan het werk te komen of aan bepaalde voorzieningen deel te nemen. PDS adviseert de situatie van appellant over een jaar opnieuw te bekijken. Het college mocht dan ook vasthouden aan het in zijn beleid neergelegde uitgangspunt dat, ook als sprake is van een ontheffing van alle overige arbeidsverplichtingen, de verplichting om mee te werken aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling wordt gehandhaafd.

4.2. Appellant heeft benadrukt dat appellant in de hier aan de orde zijnde periode niet belastbaar was met enig traject. Dat is echter niet in geschil. Uit het bestreden besluit en uit het verweerschrift in hoger beroep blijkt dat ook het college daarvan uitgaat.

4.3. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant erop gewezen dat appellant onzeker wordt van de hem boven het hoofd hangende onderzoeken en dat aan appellant tegemoet zou worden gekomen als wordt aangegeven dat vooralsnog slechts één keer per jaar onderzoek naar zijn belastbaarheid wordt gedaan. Uit de gedingstukken blijkt echter al voldoende dat het college daarmee volstaat. Na het besluit van 14 oktober 2010 heeft het college heronderzoek naar de situatie van appellant verricht in september 2011 en in september 2012, waarbij is geconstateerd, mede aan de hand van de beschikbare medische informatie, dat de situatie van appellant in wezen niet is veranderd.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens