Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
11-2145 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:930, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate arbeidsongeschiktheid. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundige onderzoek. Juiste FML. De schatting is gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (Sbc-code 111171) en conciërge (Sbc-code 261010). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de functies voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2145 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2011, 10/2847 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2012. Appellant is verschenen met bijstand van mr. drs. M.J. Hüsen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 februari 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 10 maart 2010 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten (hierna: WGA-uitkering) toegekend. Het Uwv heeft hierbij de mate van appellants arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 47,34 procent. Bij besluit van 7 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant daartegen gemaakte bezwaar, onder aanpassing van de mate van arbeidsongeschiktheid 52,04 procent, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige kant van de in geding zijnde besluitvorming getoetst en rechtens juist bevonden.

3. Appellant bestrijdt de juistheid van de aangevallen uitspraak met gelijke gronden als welke hij in eerste aanleg tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. Die gronden komen hier op neer dat het Uwv de bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij met zijn krachten en bekwaamheden niet in staat is bepaalde, ten behoeve van de bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid geselecteerde, voorbeeldfuncties te vervullen.

4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Het verzekeringsgeneeskundige onderzoek door het Uwv, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, is zorgvuldig verricht. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft bij appellant een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Voorts heeft de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij de orthopedisch chirurg die appellant heeft behandeld en heeft hij het dossier bestudeerd. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft eveneens dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en de verkregen medische informatie van de zogenoemde behandelende sector bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft daarop aanleiding gezien om de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen in het bijzonder in verband met de in bezwaar naar voren gekomen gehoorklachten van appellant.

5.2. Appellant houdt staande dat bij het vaststellen van zijn beperkingen met zijn psychische klachten ten onrechte geen rekening is gehouden. Hij beroept zich op een brief van 1 september 2010 van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, die appellant voor een intake op 8 februari 2010 heeft gezien. In deze brief heeft deze sociaal psychiatrisch verpleegkundige behandelaar een diagnose gesteld, onder meer inhoudend dat bij appellant sprake is van een dysthyme stoornis en dat een GAF-score van 55 aan de orde is. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat deze informatie, die niet gecontrasigneerd is door een psychiater, geen gefundeerde onderbouwing bevat voor de aanwezigheid van psychische problematiek.

5.3. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat het oordeel van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige te licht is om de stelling te onderbouwen dat arbeidsbeperkingen op het psychisch vlak aanwezig zijn. In het dossier zijn verder geen gegevens die erop duiden dat de psychische toestand en geheugenproblemen op de datum ondergewaardeerd zijn door het Uwv.

5.4. Ook voor het overige is geen twijfel gerezen over de juistheid van de FML van

30 mei 2010.

5.5. De schatting is gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (Sbc-code 111171) en conciërge (Sbc-code 261010). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de functies voor appellant geschikt zijn. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in het geding in eerste aanleg nader uiteengezet dat in geen van de genoemde functies is er sprake van veel achtergrondlawaai. Dit is op inzichtelijke wijze gebeurd. Hetzelfde geldt voor de toelichting op het item betreffende de trillingsbelasting schroefbewegingen in de functie conciërge. Nu er geen beperkingen zijn aangenomen met betrekking tot het persoonlijk en, behoudens de beperking op het item horen, het sociaal functioneren, is er geen reden om aan te nemen dat appellant niet in staat zou zijn een interne opleiding te volgen zoals gevraagd in de functie conciërge. Voorts is appellant voldoende in staat in de Nederlandse taal te communiceren.

5.6. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding een der partijen te verwijzen in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2012.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) M.D.F. de Moor