Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
12-2615 WSF-PV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag van appellant om een draagkrachtmeting over het jaar 2005 is niet verder in behandeling genomen. De gevraagde gegevens zijn niet binnen de gestelde termijn ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2615 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 maart 2012, 11/802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 14 december 2012

Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen

Griffier: K.E. Haan

Ter zitting zijn verschenen: appellant en mr. G.J.M. Naber, vertegenwoordiger van de Minister.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Bij besluit van 18 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de Minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 3 januari 2011 gehandhaafd waarin de aanvraag van appellant om een draagkrachtmeting over het jaar 2005 niet verder in behandeling is genomen omdat de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is - kort samengevat - van oordeel dat de Minister niet in strijd met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld. Dat appellant op 24 december 2010 alsnog heeft voldaan aan het verzoek in de brief van de Minister van

18 november 2010, doet daar niet aan af.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgronden herhaald onder verwijzing naar zijn bezwaarschrift van 8 april 2011.

4. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de Minister op zorgvuldige wijze en goede gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5 van de Awb. De aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen zijn juist. De aanvraag van appellant teneinde de maandelijkse afbetaling van de studieschuld in 2005 te verlagen dateert van 31 januari 2005. Omdat destijds in 2005 de benodigde gegevens niet zijn ingediend en de aanvraag door de Minister procedureel niet is afgerond, heeft de Minister - na een verzoek van appellant daartoe van 8 november 2010 - gelet op deze bijzondere situatie appellant bij brief van 18 november 2010 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog de benodigde gegevens over de periode 2003 tot en met 2005 in te dienen. In deze brief heeft de Minister appellant erop gewezen dat indien hij niet binnen vier weken reageert, het verzoek van appellant niet verder in behandeling wordt genomen. De Minister kon in redelijkheid deze termijn stellen. Appellant heeft noch binnen vier weken verzocht om uitstel noch heeft hij binnen vier weken de benodigde gegevens ingediend. Daarnaast is niet gebleken dat appellant de benodigde gegevens niet binnen vier weken na de brief van 18 november 2010 had kunnen indienen. De door de Minister aan appellant geboden termijn van vier weken gaf aan appellant voldoende gelegenheid om zijn aanvraag uit 2005 aan te vullen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(get.) K.E. Haan (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep