Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
02-01-2013
Zaaknummer
12/4897 WMO + 12/4898 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat gedurende de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening geen sprake was van een ingesteld beroep. Er bestond derhalve voor de voorzieningenrechter geen bevoegdheid om op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het hoger beroep is kennelijk gegrond, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist. Nu een beslissing op het bezwaar tot op heden is uitgebleven, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb daarvoor een termijn van vier weken bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4897 WMO, 12/4898 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 31 juli 2012, 12/3450 en 12/3408 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college) en de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (Commissie), gedaagden

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft op 5 juli 2012 gedaagden verzocht om opvang en om leef- en reisgeld op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of de Wet werk en bijstand (WWB).

2. Bij besluit van 20 juli 2012 hebben gedaagden het verzoek van appellante van 5 juli 2012 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Het college heeft geen besluit genomen op het bezwaar van appellante.

3. De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (voorzieningenrechter) heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 20 juli 2012 ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 20 juli 2012 ongegrond is verklaard.

5. De Raad stelt vast dat gedurende de behandeling van het onder 2 genoemde verzoek om voorlopige voorziening geen sprake was van een ingesteld beroep. Er bestond derhalve voor de voorzieningenrechter geen bevoegdheid om op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen in de hoofdzaak. De aangevallen uitspraak komt dan ook, voor zover aangevochten, wegens strijd met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking (zie ook de uitspraak van de Raad van 2 februari 2011, LJN BP4637). Gedaagden dienen nog op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2012 te beslissen.

6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna is aangegeven. Nu een beslissing op het bezwaar tot op heden is uitgebleven, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb daarvoor een termijn van vier weken bepalen.

7. De Raad ziet aanleiding gedaagden te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Deze kosten bestaan uit één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-bepaalt dat gedaagden binnen vier weken na ontvangst van deze uitspraak een beslissing nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 juli 2012;

-veroordeelt gedaagden in de kosten van appellante tot een bedrag van € 437,-;

-bepaalt dat gedaagden aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M. Zwart

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

RB