Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
11-6619 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekennen uitkering ingevolge de Wet WIA. Zorgvuldig medisch onderzoek. De functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6619 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 oktober 2010, 11/1677 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2012 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Waarsenburg.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting van de Raad achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Bij besluit van 17 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 december 2010, waarin het Uwv per einde wachttijd - 28 december 2010 - een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft geweigerd toe te kennen aan appellante, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet - kort samengevat - in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen aangenomen beperkingen van appellante zoals die zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 november 2010. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van de in de FML weergegeven beperkingen ten aanzien van haar persoonlijk en sociaal functioneren moet worden getwijfeld. Gelet op de motivering van de arbeidsdeskundige van 21 december 2010, is de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate rekening is gehouden met de door de rechtbank onderschreven belastbaarheid van appellante en dat de geduide functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), medewerker tuinbouw (sbc-code 111010) en productiemedewerker (sbc-code 111180) geschikt zijn te achten voor appellante.

3. In hoger beroep heeft appellante haar beroepsgronden herhaald. Zij stelt zich daarnaast op het standpunt dat zij regelmatig bijwerkingen ondervindt in de vorm van verminderde concentratie, coördinatie- en reactievermogen als gevolg van het door haar gebruikte medicijn (Seroquel). Daardoor kan zij geen repeterende werkzaamheden verrichten en kan zij niet werken in een industriële omgeving. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een rapportage van coassistent psychiatrie P. van Hauten en psychotherapeut drs. T.J. van den Heuvel van 19 maart 2012 van UMC St. Radboud overgelegd. Het Uwv houdt onvoldoende rekening met het in die genoemde rapportage matige ziekte inzicht, de onrust en achterdocht voor mannen en het nog prille evenwicht dat zeker ernstig verstoord zou worden met een intensief therapietraject. Appellante is bezig grip te krijgen op basale dagelijkse bezigheden en is niet geschikt voor loonvormende arbeid.

4. Namens het Uwv heeft bezwaararbeidsdeskundige B. Altena de functie wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur nader toegelicht in de rapportage van 18 april 2012. Bezwaarverzekeringsarts R.R. van den Enden heeft appellante onderzocht en een reactie gegeven op de overgelegde rapportage van 19 maart 2012. In de rapportages van 11 april 2012, 3 oktober 2012 en van 26 oktober 2012 komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat er geen discrepanties zijn tussen zijn waarnemingen en de waarnemingen en bevindingen van de primaire verzekeringsarts en hetgeen door appellante is verteld tijdens het spreekuur op 10 april 2012. De verzekeringsarts heeft appellante destijds uitvoerig en adequaat beoordeeld. Appellante had ten tijde in geding haar middelenverslaving onder controle en was doende haar schuldenproblemen op te lossen. De rapportage van 19 maart 2012 kan volgens de bezwaarverzekeringsarts niet leiden tot de conclusie dat de beperkingen op de datum in geding onjuist zijn vastgesteld in de FML.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak slaagt niet. De beoordeling van de rechtbank van het bestreden besluit is juist. Hetgeen door appellante in hoger beroep is gesteld en de door haar ingediende rapportage van 19 maart 2012 van UMC St. Radboud kan niet leiden tot een ander oordeel.

5.3. In de rapportage van de Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Nijmegen (GGZ) van 29 mei 2009 wordt vermeld dat appellante naast de verslavingsproblematiek lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis (borderline en antisociale trekken) en dat er sprake is van waarnemingsstoornissen die worden veroorzaakt door middelengebruik. De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 15 november 2010 - na kennisneming van de rapportage van 29 mei 2009 en het screeningsverslag van 10 juni 2006 van Iriszorg - geconcludeerd dat er sprake is van een psychische stoornis door multiple drugsgebruik, met daardoor wisselende waanideeën, trekken van emotionele instabiele/borderline persoonlijkheid en een posttraumatische stressstoornis. Tijdens het spreekuuronderzoek op 28 oktober 2010 heeft de verzekeringsarts op cognitief niveau geen bijzonderheden geconstateerd. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat ten aanzien van de datum in geding - 28 december 2010 - het jarenlange middelengebruik niet heeft geleid tot dagbehandeling of opname, zij niet ADL afhankelijk is en er geen sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Door in de FML beperkingen vast te stellen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren heeft de verzekeringsarts rekening gehouden met de persoonlijkheidsstoornis en de psychische klachten van appellante. De reden van de rapportage van 19 maart 2012 van UMC St. Radboud is een intake voor een dialectische gedragstherapie (DGT). De conclusie in deze rapportage is dat op symptoomniveau duidelijk sprake lijkt van borderline persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast lijkt sprake te zijn van psychotische episodes en zijn er duidelijke aanwijzingen voor de mogelijke aanwezigheid van ADHD en mogelijk organische schade ten gevolge van het jarenlange middelenmisbruik, waarnaar nadere diagnostiek dient plaatst te vinden. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportages van 11 april 2012 en 3 oktober 2012 voldoende gemotiveerd geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om de vastgestelde beperkingen en belastbaarheid voor arbeid van appellante in de FML voor onjuist te houden. De in maart 2012 gestelde diagnose borderline persoonlijkheidsproblematiek komt in grote lijnen overeen met de eerder gestelde diagnoses door de verzekeringsarts en de GGZ. De overige diagnoses zijn voor het eerst gesteld ruim na de datum in geding en dienen nader gediagnosticeerd te worden.

5.4. Ten aanzien van de bijwerkingen van het medicijn Seroquel verwijst de Raad eveneens naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts vindt geen aanwijzingen voor het standpunt van appellante dat de gebruikte (hoge) dosering medicatie leidt tot vertraagd motorisch en/of cognitief handelen in arbeid. Bij zijn onderzoek heeft hij de geclaimde bijwerkingen niet kunnen vaststellen. De verzekeringsarts heeft appellante dan ook volgens de bezwaarverzekeringsarts op de datum in geding, toen zij een lage dosering medicatie gebruikte, terecht geschikt geacht voor gestructureerd, conflict- en stressarm werk, zonder tijdsdruk en zonder eindverantwoordelijkheid.

5.5. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het medische onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsarts relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante heeft gemist, dan wel onjuist in de FML van 15 november 2010 heeft vertaald. Dit oordeel wordt bevestigd door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts op 10 april 2012.

5.6. Uitgaande van de juistheid van de per einde wachttijd vastgestelde FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is in het rapport van arbeidsdeskundige A.F. Heilbron van 21 december 2010 alsmede in het in hoger beroep ingebrachte rapport van 18 april 2012 van bezwaararbeidsdeskundige Altena voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht.

5.7. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.6 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Nu in hoger beroep het Uwv een aanvullende arbeidskundige motivering heeft gegeven, zal het Uwv veroordeeld worden in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.311,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.311,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2012.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) G.J. van Gendt