Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
11-4757 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:3519, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft in geen enkele fase van de procedure aannemelijk gemaakt dat zij door de onjuiste taakvervulling door appellant re-integratiekansen heeft gemist waardoor zij schade heeft geleden. De Raad wijst erop dat door betrokkene enkel de hypothetische (voor betrokkene) nadelige gevolgen van het bestreden besluit zijn toegelicht en ter zitting van de zijde van gemachtigde van betrokkene is erkend dat de geclaimde schade zuiver hypothetisch van aard is. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte in de tussenuitspraak - bevestigd bij de aangevallen uitspraak - geoordeeld dat betrokkene als gevolg van het bestreden besluit schade lijdt en heeft geleden. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 63a, geldigheid: 2012-12-20
Ziektewet 2, geldigheid: 2012-12-20
Ziektewet 2, geldigheid: 2012-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/93

Uitspraak

11/4757 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2011, 10/3523 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 20 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

[naam werkneemster] (werkneemster) heeft desgevraagd de Raad schriftelijk laten weten niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Voorts heeft zij daarbij toestemming gegeven om haar medische gegevens aan betrokkene ter kennis te brengen.

Namens betrokkene heeft mr. P.Th. Sick, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Voor gedaagde is verschenen mr. W. Brinkkemper, kantoorgenoot van mr. Sick, alsmede [A. K.] en [A. R.], beiden werkzaam bij betrokkene.

OVERWEGINGEN

1. Werkneemster was vanaf 6 juli 2009 in dienstbetrekking bij betrokkene werkzaam toen zij zich met ingang van 12 augustus 2009 voor haar werkzaamheden bij betrokkene ziek meldde. In verband hiermee heeft appellant betrokkene meegedeeld geen ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) te betalen, omdat betrokkene sinds 1 juli 2009 eigenrisicodraagster is. Na een medisch onderzoek op 25 september 2009 heeft de bedrijfsarts werkneemster per 30 november 2009 volledig geschikt verklaard voor de maatgevende arbeid. Nadat appellant op 25 januari 2010 was gevraagd hierover een besluit af te geven, heeft appellant bij besluit van 4 februari 2010 vastgesteld dat werkneemster op en na 30 november 2009 niet meer wegens ziekte of gebreken arbeidsongeschikt was.

2. Bij besluit van 10 juni 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het door de werkneemster gemaakte bezwaar - in welke procedure betrokkene als derde belanghebbende was betrokken - gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en werkneemster per 30 november 2009 ongewijzigd ongeschikt geacht voor de maatgevende arbeid.

3. In beroep tegen het bestreden besluit heeft betrokkene aangevoerd dat appellant een op 8 december 2009 verricht medisch onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat zonder rechtsgrond is uitgevoerd. Appellant had dit onderzoek volgens betrokkene bij zijn besluitvorming buiten beschouwing moeten laten. Door dit onderzoek mede tot grondslag te nemen voor het bestreden besluit, berust dat besluit op een onjuiste motivering en is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Subsidiair heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat appellant het besluit van 4 februari 2010 onzorgvuldig heeft voorbereid, waardoor appellant jegens betrokkene schadeplichtig heeft gehandeld. Achteraf bezien had betrokkene vanaf 30 november 2009 re-integratieactiviteiten moeten uitvoeren en een ZW-uitkering aan werkneemster moeten betalen, zonder dat betrokkene op het verloop van de arbeidsongeschiktheid enige invloed heeft kunnen uitoefenen en haar risico derhalve niet heeft kunnen beperken.

4.1.1. In haar tussenuitspraak van 3 maart 2011, 10/3525, heeft de rechtbank - onder verwijzing naar artikel 63a van de ZW en naar artikel 2, vijfde lid, van de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW van 22 december 2009 (de Regeling), die ter uitvoering van artikel 63a van de ZW tot stand is gebracht - overwogen dat appellant zich ervan dient te verzekeren dat de voorbereiding van de beslissing door de eigenrisicodraagster op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het voorstel om de werknemer geschikt te verklaren wordt gedragen door de onderliggende feiten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het primaire besluit niet op deze wijze is getoetst. Dat appellant deze gebrekkige taakvervulling zou kunnen herstellen bij de beslissing op bezwaar is volgens de rechtbank in strijd met de bedoeling van de wetgever. Als appellant inhoudelijk een actievere rol had gespeeld bij de toetsing van het primaire besluit, had een gewijzigd inzicht in de bezwaarfase zeer wel tot de mogelijkheden behoord. Daarvan was in dit geval geen sprake. Het bestreden besluit is volgens de rechtbank op die grond onrechtmatig.

4.1.2. Voorts is in de tussenuitspraak overwogen dat de gebrekkige toetsing door appellant in de primaire fase ertoe heeft geleid dat betrokkene schade lijdt en heeft geleden. De rechtbank heeft een drietal mogelijke oplossingen beschreven, waaronder de overname door appellant van het eigenrisicodragerschap voor de werkneemster van betrokkene. Appellant is met verwijzing naar artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid gesteld de onrechtmatigheid van het bestreden besluit in zoverre te herstellen dat wordt voorzien in een tegemoetkoming van de schade aan betrokkene.

4.2. Op 6 mei 2011 heeft appellant in reactie op de tussenuitspraak het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een gebrekkige besluitvorming van appellant, en dat - voor zover het primaire besluit gebrekkig zou zijn geweest - dit gebrek in bezwaar is hersteld. Verder heeft appellant erop gewezen dat betrokkene de gestelde schade niet heeft geconcretiseerd en is gesteld dat - zo er al schade zou zijn geleden - geen sprake is van een causaal verband tussen de gestelde schade en de door appellant genomen besluiten. Bij brief van 17 juni 2011 heeft betrokkene op de reactie van appellant gereageerd.

4.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen, en appellant veroordeeld in de proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft met verwijzing naar de rechtsoverwegingen 2.14 tot en met 2.18 van de tussenuitspraak geoordeeld dat appellant ten onrechte heeft vastgehouden aan het bestreden besluit, nu hij geen compensatie wil verlenen aan betrokkene voor de na 9 november 2009 door betrokkene aan werkneemster verrichte betalingen.

5.1. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant aangevoerd, dat op grond van artikel 7:11 van de Awb uit de aard van de bezwaarprocedure voortvloeit dat gebreken die aan de besluitvorming kleven in die procedure kunnen worden hersteld. Verder is bestreden dat sprake is van een onrechtmatig besluit en heeft appellant betwist dat betrokkene concrete schade heeft geleden en aangevoerd dat er geen grond is om hem te veroordelen tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb.

5.2. Betrokkene heeft ter onderbouwing van de gestelde schade ter zitting toegelicht dat als appellant op juiste wijze invulling aan zijn taak had gegeven betrokkene verder was gegaan met het re-integratietraject en schadebeperkende maatregelen had kunnen nemen. De kans op een geslaagde re-integratie zou groter zijn geweest als men eerder met re-integreren was begonnen. Als voorbeeld hiervan heeft betrokkene ter zitting toegelicht dat aan de werkneemster wellicht toestemming was onthouden om op vakantie te gaan. Wellicht had de werkneemster dan hersteld uit dienst kunnen gaan en was betrokkene bij een latere ziekmelding niet meer als eigenrisicodraagster verantwoordelijk geweest voor de betaling van ziekengeld.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Naar de Raad uit de behandeling ter zitting is gebleken staat de ongeschiktheid van werkneemster per 30 november 2009 ten materiële niet ter discussie. Voorts bestaat geen verschil van inzicht tussen partijen dat appellant met het nemen van het besluit van 4 februari 2010 blijk heeft gegeven van een gebrekkige taakvervulling, doordat appellant, zonder nader onderzoek naar de juistheid van de hersteldverklaring door de bedrijfsarts, is overgegaan tot het nemen van het besluit van 4 februari 2010. Wel zijn partijen verdeeld over de vraag welke consequenties aan dat gebrek verbonden moeten worden.

6.2. Voor het beantwoorden van deze vraag is onder meer artikel 2 van de Regeling van belang. Dit artikel luidt - voor zover van belang - als volgt:

1. De eigenrisicodrager legt een voorstel voor een beslissing aan het UWV voor.

2. De eigenrisicodrager bereidt de beslissing op zorgvuldige wijze voor, waarbij het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten.

3. De eigenrisicodrager doet zijn voorstel voor een beslissing op een door het UWV daartoe beschikbaar gesteld formulier en stuurt zo spoedig mogelijk nadat hij redelijkerwijze had kunnen weten dat het UWV een beslissing moet nemen en via een beschikking bekend moet maken, dit formulier aan het UWV.

4. Met het in het eerste lid bedoelde voorstel voor een beslissing worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden.

5. Het UWV verzekert zich ervan dat de voorbereiding van de beslissing door de eigenrisicodrager op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het voorstel wordt gedragen door de onderliggende feiten.

6. Indien de eigenrisicodrager het voorstel naar het oordeel van het UWV niet of niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid, wordt de eigenrisicodrager in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen een hem door het UWV gestelde termijn.

7. Indien de eigenrisicodrager binnen de gestelde termijn het verzuim niet of niet voldoende heeft hersteld, verricht het UWV de werkzaamheden als bedoeld in artikel 63a, eerste lid, van de ZW, of onderdelen daarvan.

Uit het voorgaande volgt dat appellant zijn taakvervulling zoals omschreven in artikel 2, vijfde lid, van de Regeling niet op juiste wijze heeft vervuld.

6.3. Vastgesteld wordt dat, wat er van deze constatering zij, het bieden van gelegenheid tot herstel van het verzuim als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Regeling in dit geval niet meer aan de orde was. De bedrijfsarts had werkneemster op 25 september 2009 op een spreekuur onderzocht en had daarbij de voorgenomen hersteldverklaring per 30 november 2009 aangekondigd. De bedrijfsarts heeft de voortgang van de door hem voorgestane re-integratie niet gevolgd en heeft werkneemster niet meer rond de voorgenomen datum van herstel voor een spreekuurcontact opgeroepen. Vervolgens heeft betrokkene in weerwil van artikel 2, derde lid, van de Regeling appellant pas op 25 januari 2010 verzocht een besluit te nemen. Dit betekent dat de bedrijfsarts bij een juiste taakvervulling door appellant, waarbij appellant op basis van de rapportage van 25 september 2009 mogelijk had geoordeeld dat de hersteldverklaring per 30 november 2009 onvoldoende zorgvuldig was voorbereid vanwege het ontbreken van medische informatie rond de datum in geding, dit gebrek niet meer had kunnen herstellen vanwege het ontbreken bij die arts van medische informatie rond de beoordelingsdatum en het door het tijdsverloop ontstane probleem die alsnog te verkrijgen.

6.4. Het bieden van de in punt 6.3 bedoelde gelegenheid door appellant in de bezwaarprocedure was om dezelfde redenen als vermeld onder 6.3 evenmin zinvol geweest.

6.5. De reikwijdte van de volledige heroverweging in de bezwaarprocedure op de grondslag van het bezwaar wordt, anders dan appellant kennelijk meent, bepaald door de aard en de reikwijdte van de bevoegdheid tot besluitvorming in de primaire fase. In dit geval beperkt artikel 2, vijfde lid, van de Regeling die besluitvorming tot een toetsing door appellant van het voorstel door de eigenrisicodrager van een beslissing op de aspecten zorgvuldigheid van voorbereiding en motivering. Appellant had de volledige heroverweging op die aspecten moeten richten en had moeten volstaan met de vaststelling dat het voorstel van de eigenrisicodraagster daaraan niet voldeed. Vervolgens had appellant, gelet op de overwegingen 6.3 en 6.4 niet anders kunnen vaststellen dan dat het bieden van gelegenheid tot herstel aan de eigenrisicodraagster, zoals artikel 2, zesde lid, van de Regeling voorschrijft, in dit geval, gelet op het tijdstip van het beslissen op bezwaar, niet zinvol meer was. Appellant had dan ook om deze reden het primaire besluit, zoals hij op zichzelf in feite wel gedaan heeft, moeten herroepen en had vervolgens zo nodig een nieuw besluit moeten nemen, zoals artikel 7:1, tweede lid, van de Awb voorschrijft.

6.6. Appellant heeft dan ook, bezien in het licht van de in overweging 6.5 uiteengezette in de bezwaarprocedure te verrichten toetsing en besluitvorming, op zichzelf bezien het bezwaar van werkneemster terecht inhoudelijk beoordeeld en zelf in de zaak voorzien. Daarbij dienden wel eventuele nadelige gevolgen die de gewijzigde besluitvorming voor een derde belanghebbende kon hebben, in het oog te worden gehouden. Namens betrokkene is in dit verband melding gemaakt van schade die betrokkene als gevolg van de handelwijze van appellant heeft geleden. Zo al zou moeten worden aangenomen dat appellant bij het te nemen nieuwe besluit in het kader van de bezwaarschriftprocedure op de voet van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, niet kenbaar rekening heeft gehouden met de mogelijk nadelige gevolgen van het besluit voor de werkgever, kan in dit geval niettemin niet tot vernietiging van het bestreden besluit worden geconcludeerd, reeds omdat betrokkene in geen enkele fase van de procedure aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de onjuiste taakvervulling door appellant re-integratiekansen heeft gemist waardoor zij schade heeft geleden. De Raad wijst erop dat door betrokkene enkel de hypothetische (voor betrokkene) nadelige gevolgen van het bestreden besluit zijn toegelicht en ter zitting van de zijde van gemachtigde van betrokkene is erkend dat de geclaimde schade zoals weergegeven in 5.2 zuiver hypothetisch van aard is. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte in de tussenuitspraak - bevestigd bij de aangevallen uitspraak - geoordeeld dat betrokkene als gevolg van het bestreden besluit schade lijdt en heeft geleden.

6.7. Uit de overwegingen 6.2 tot en met 6.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juni 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2012.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) D.E.P.M. Bary