Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7269

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
11-2656 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2656 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 maart 2011, 10/3569 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellante is verschenen met haar gemachtigde mr. Türkkol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent is vermeld in de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.2. In 2005 heeft in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een herbeoordeling van appellantes mate van arbeidsongeschiktheid plaatsgevonden en is de eerder aan appellante toegekende WAO-uitkering per 20 juni 2005 ingetrokken omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid op die datum minder dan 15% was.

1.3. Op 12 mei 2009 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld vanwege lichamelijke en psychische klachten.

Op 13 november 2009 is appellante onderzocht door verzekeringsarts P.M. van der Gugten. Op verzoek van deze verzekeringsarts is appellante op 18 december 2009 en 25 januari 2010 onderzocht door psycholoog E.H. Ameling, die zijn bevindingen heeft vastgelegd in een rapport van 19 februari 2010. Naar aanleiding van eigen onderzoek en het rapport van de psycholoog, is verzekeringsarts Van der Gugten tot de conclusie gekomen dat appellante per 22 maart 2010 geschikt is voor de functies die in het kader van de WAO-herbeoordeling in 2005 zijn geduid. Bij besluit van 12 maart 2010 is de ZW-uitkering met ingang van 22 maart 2010 beëindigd. Bij besluit van 10 juni 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van 8 juni 2010 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen en de psycholoog onzorgvuldig te achten of het medisch oordeel onjuist te achten. Met betrekking tot de door appellante in beroep naar voren gebrachte psychische klachten, waaronder haar opname in de periode van 28 oktober 2010 tot en met 25 november 2010 zoals beschreven in de overgelegde brief van psychiater H.N. Dijkstra van 7 december 2010, heeft de rechtbank het standpunt van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn onderschreven dat op de datum in geding er geen sprake was van een aanpassingsstoornis en dat de persoonlijkheidsproblematiek in de expertise van psycholoog Ameling ook al was onderkend, waarbij deze psycholoog ook overleg heeft gehad met de behandelaar van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts de conclusie dat appellante ondanks de klachten aan haar rug, de bij appellante geconstateerde psychische klachten en de waargenomen lipomen geschikt is te achten voor tenminste één van de in 2005 geduide functies voldoende inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd. Derhalve heeft het Uwv appellante terecht met ingang van 22 maart 2010 in staat geacht haar arbeid te verrichten en om die reden terecht de ZW-uitkering van appellante per die datum ingetrokken.

3. In hoger beroep heeft appellante (samengevat) haar standpunt herhaald dat haar psychische en lichamelijke klachten door het Uwv zijn onderschat en dat zij ten gevolge van die klachten op en na de datum in geding niet in staat was arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij wederom de brief van psychiater Dijkstra van 7 december 2010 overgelegd. Tevens heeft zij verzocht een deskundige (psychiater) te benoemen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Zoals de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, met juistheid heeft overwogen dient onder “zijn arbeid” te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, welke regel in zoverre uitzondering lijdt dat, wanneer de verzekerde zoals in het onderhavige geval na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals nader is geconcretiseerd bij het beoordelen van de aanspraak van appellante op een uitkering ingevolge de WAO, waarbij van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is, indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.2. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen vormen een voldoende basis voor het standpunt dat appellante per 22 maart 2010 niet ongeschikt is te achten voor haar arbeid. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat de artsen van het Uwv haar beperkingen hebben onderschat en dat zij niet in staat kan worden geacht haar arbeid te verrichten. De brief van psychiater Dijkstra van 7 december 2010 is met de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn van 23 december 2010 afdoende weerlegd. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

4.3. Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker