Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
11-1796 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1796 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 maart 2011, 10/1333 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.G. Mostert hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 november 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mostert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als secretaresse. Op 1 april 2004 is haar dienstverband beëindigd vanwege het faillissement van haar werkgever. Vanuit de situatie waarin appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 3 april 2009 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Appellante heeft meerdere keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Na onderzoek op het spreekuur van 1 juli 2010 is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellante met haar psychische en lichamelijke beperkingen met ingang van 2 juli 2010 geschikt is voor haar arbeid. Bij besluit van 1 juli 2010 is appellantes uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 2 juli 2010. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 augustus 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van gelijke datum ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat het Uwv de ernst van de psychische klachten van appellante niet juist heeft ingeschat. Volgens de rechtbank beschikte de bezwaarverzekeringsarts over voldoende medische gegevens omtrent de behandeling van appellante om tot een verantwoord medisch oordeel te komen met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante op de datum 2 juli 2010.

3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de uitspraak betwist. Zij heeft het standpunt herhaald dat het Uwv niet tot een weloverwogen oordeel over haar arbeidsmogelijkheden heeft kunnen komen zonder daarover overleg te hebben gehad met de behandelende psycholoog. Daartoe heeft appellante gewezen op het onderzoeksverslag van de psycholoog drs. J.M.J. Cremers van 13 juli 2010. In dat rapport is neergelegd dat appellante voorlopig niet met arbeid moet starten en zij zich vooral moet concentreren op een geschikte daginvulling en dag- en weekstructuur. Ook heeft de psycholoog als haar opvatting geven dat indien appellante op korte termijn arbeidsmatig wordt belast het klachtenniveau direct weer zal toenemen. Volgens appellante betreft het hier een beredeneerd ander oordeel van de behandelende sector dat door het Uwv niet terzijde kan worden gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Op basis van de anamnese heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 1 juli 2010 vermeld dat de therapie van appellante bij PsyQ in maart 2010 is afgerond en dat de therapeut tevreden was. Op 5 juli 2010 zou de laatste sessie van een weerbaarheidtraining van appellante plaatsvinden. Naast de bevindingen van het eigen onderzoek had de verzekeringsarts ook de beschikking over het medische dossier van appellante. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante op de hoorzitting van 16 augustus 2010 gezien. Bij de beoordeling zijn alle dossiergegevens van appellante betrokken alsmede het door haar in bezwaar ingebrachte onderzoeksrapport van psycholoog Cremers van 13 juli 2010. Op grond van de door appellante verstrekte informatie, de eigen bevindingen en de reeds aanwezige gegevens in het dossier, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellante met haar lichamelijke en psychische beperkingen in staat moet worden geacht om haar werkzaamheden als secretaresse te hervatten. Er is geen aanleiding om die conclusie voor onjuist te houden. Vaststaat dat Cremers geen behandelaar was van appellante. Zij heeft haar onderzoek verricht om, naar de Raad heeft begrepen, een advies uit te brengen over de re-integratiemogelijkheden van appellante op een moment waarop haar behandeling min of meer tot een afronding was gekomen. Ook Cremers heeft in haar rapport ervan melding gemaakt dat appellante met succes de psychologische behandeling heeft doorlopen en een stabiel functioneringsniveau heeft bereikt. Volgens Cremers zijn er forse beperkingen ten aanzien van reguliere arbeid, maar een beschrijving van objectiveerbare beperkingen is niet gegeven. Niet kan worden staande gehouden dat sprake is van een beredeneerd ander oordeel van de behandelende sector waaraan het Uwv niet voorbij had mogen gaan.

4.3. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 2 juli 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker