Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
11/6784 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij reeds in augustus 2005 een aanvraag om bijstand bij de Svb heeft ingediend. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant eerder dan op 20 november 2008 een aanvraag heeft ingediend, terwijl de Svb ontkent dat eerder een aanvraag is ingediend. Dit brengt mee dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Svb de ingangdatum van de bijstand ten onrechte op 20 november 2008 heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6784 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 oktober 2011, 11/2668 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 19 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuijper en vergezeld door M. Chibiane, tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 25 april 2005 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW-pensioen) toegekend met ingang van 1 juli 2005. Daarbij is meegedeeld dat appellant 76% van een volledig AOW-pensioen ontvangt, omdat hij twaalf jaar niet verzekerd is geweest. Bij beslissing op bezwaar van 12 oktober 2006 heeft de Svb, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2005 gegrond verklaard, het aantal niet verzekerde jaren op negen vastgesteld en bepaald dat appellant recht heeft op 82% van een volledig AOW-pensioen.

1.2. Op 20 november 2008 heeft appellant bij de Svb een aanvraag ingediend om algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, van de Wet werk en bijstand.

1.3. Bij besluit van 22 december 2008 heeft de Svb aan appellant met ingang van 20 november 2008 een maandelijks voorschot toegekend. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft de Svb de hoogte van het voorschot gewijzigd. Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft de Svb de aanvraag van 20 november 2008 ingewilligd en appellant met ingang van 20 november 2008 bijstand toegekend.

1.4. Bij besluit van 9 februari 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht tegen de in het bestreden besluit gehandhaafde ingangsdatum van 20 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant betwist dat hij pas op 20 november 2008 een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Ter zitting van de Raad heeft hij gesteld dat hij al in augustus 2005 een aanvraag om bijstand bij de Svb heeft ingediend, zodat de Svb de ingangsdatum ten onrechte op 20 november 2008 heeft vastgesteld.

4.2. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij reeds in augustus 2005 een aanvraag om bijstand bij de Svb heeft ingediend. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant eerder dan op 20 november 2008 een aanvraag heeft ingediend, terwijl de Svb ontkent dat eerder een aanvraag is ingediend. Dit brengt mee dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Svb de ingangdatum van de bijstand ten onrechte op 20 november 2008 heeft vastgesteld.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) P.J.M. Crombach

sg