Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
09-4523 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplichtingen tot arbeidsinschakeling. Geen procesbelang. Aan appellant zijn geen maatregelen opgelegd wegens het niet nakomen van de bij het besluit van 29 mei 2008 opgelegde verplichtingen en dat het opleggen van een maatregel ook niet wordt overwogen. Verder blijkt uit de gedingstukken dat het college appellant bij besluit van 30 oktober 2012 tot 30 oktober 2015 heeft ontheven van de arbeidsverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4523 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2009, 08/5358 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

Datum uitspraak 19 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nader stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellant en mr. Bronsveld zijn met kennisgeving niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol en mr. E.P.C. Roverts-Van den Bom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1999 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het college onder meer aan appellant meegedeeld dat hem de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB genoemde verplichtingen worden opgelegd.

1.3. Bij besluit van 14 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college op goede gronden geen dringende redenen aanwezig heeft geacht om appellant tijdelijk te ontheffen van de verplichtingen, genoemd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd en aangevoerd dat op grond van medische maatstaven reïntegratie niet aan de orde kan zijn. Verder heeft appellant verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 1 juni 2010, LJN BM7208, is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

4.2. Bij brief van 22 oktober 2010 heeft het college aan de Raad meegedeeld dat aan appellant geen maatregelen zijn opgelegd wegens het niet nakomen van de bij het besluit van 29 mei 2008 opgelegde verplichtingen en dat het opleggen van een maatregel ook niet wordt overwogen. Verder blijkt uit de gedingstukken dat het college appellant bij besluit van

30 oktober 2012 tot 30 oktober 2015 heeft ontheven van de arbeidsverplichtingen, genoemd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.3. Gelet op de onder 4.2 weergegeven feiten valt niet in te zien welk resultaat appellant met het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak op dit moment nog kan bereiken. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente maakt dit niet anders, aangezien het in dit geding niet gaat om de verplichting tot uitbetaling van een geldsom.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J. Brand en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.T.P. Pot

KR