Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
10-4332 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een vervoersvoorziening toe te kennen. Blijkens de brief van 29 oktober 2008 van het college vindt jaarlijks een heronderzoek plaats voordat wordt overgegaan tot continuering van de forfaitaire autokostenvergoeding. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat door de toekenningen in eerdere jaren door het college het vertrouwen is gewekt dat de forfaitaire vergoeding onder alle omstandigheden gecontinueerd zou worden, zelfs als uit zo een onderzoek zou blijken dat daarop geen recht (meer) bestaat. Verder valt niet in te zien dat, wanneer een in oktober 2008 aangekondigd en in december 2008 uitgevoerd heronderzoek, waarbij is aangegeven dat mogelijkerwijs een omzetting zal plaatsvinden van de forfaitaire tegemoetkoming tot verstrekking van een cvv-pas, leidt tot beëindiging van de tegemoetkoming per 1 april 2009, het strijd zou opleveren met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante heeft vijf maanden de tijd gehad om zich in te stellen op de (eventueel) veranderende situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/4332 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2010, 09/6893 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Schoonhoven (college)

Datum uitspraak 19 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Voor appellante is verschenen mr. Van den Heuvel. Het college is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 29 oktober 2008 heeft het college appellante in kennis gesteld van het feit dat er een heronderzoek zou worden uitgevoerd naar de noodzaak van de voortzetting van de aan haar toegekende individuele forfaitaire tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto. In het kader van het in de gemeente Schoonhoven ingevoerde primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv) zou tevens worden bezien of de forfaitaire vergoeding kon worden omgezet naar een cvv-pas.

1.2. In het kader van deze herbeoordeling heeft het college de GGD Hollands Midden een medisch onderzoek laten verrichten naar de beperkingen van appellante. De onderzoekend arts concludeerde, mede op de grond dat appellante in staat is langer dan tien minuten te staan en verder dan 800 meter te lopen, dat zij zonder begeleiding van de taxi en het openbaar vervoer gebruik kan maken zodat er op medische grond geen rechtvaardiging aanwezig is voor toekenning van een collectieve vervoersvoorziening als het cvv of een individuele vervoersvoorziening.

1.3. Bij besluit van 19 februari 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 19 augustus 2009 (bestreden besluit), heeft het college geweigerd aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vervoersvoorziening toe te kennen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen (waarbij voor eiseres appellante en voor het college verweerder moet worden gelezen):

“Op grond van de artikelen 4.1, 2.17 en 2.18 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Schoonhoven 2009 in combinatie met het Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning gemeente Schoonhoven 2008, kan een persoon met beperkingen pas in aanmerking komen voor een individuele voorziening indien aantoonbare belemmeringen dit noodzakelijk maken en algemene en/of collectieve voorzieningen niet aanwezig zijn of geen adequate oplossing bieden. Een dergelijk, door verweerder gekozen, primaat van een systeem van collectief vervoer komt als zodanig niet in strijd met artikel 4 van de Wmo.

Voor het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is of op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden. Het bestreden besluit berust op een door de GGD-arts De Vries verricht medisch onderzoek dat heeft geleid tot het op 14 januari 2009 uitgebrachte advies. Daarbij is van belang dat er ten tijde van het onderzoek volgens die rapportage geen meningsverschil bestond over de medische situatie van eiseres, was de reeds aanwezige informatie voldoende basis om een oordeel te kunnen vormen en heeft intercollegiale toetsing plaatsgevonden. Uit de rapportage van 14 januari 2009, aangevuld met de email van 13 februari 2009, blijkt dat de GGD-arts bij zijn beoordeling de stoornissen van eiseres op het gebied van de bovenste- en onderste luchtwegen en de botstofwisseling heeft betrokken, alsook de door haar gepresenteerde klachten betreffende het bewegingsapparaat en de klachten van psychosociale aard. De GGD-arts heeft op medische gronden geen rechtvaardiging aanwezig geacht voor collectief vraagafhankelijk vervoer en dus ook niet voor een individuele vervoersvoorziening. Voorts is na de behandeling van het bezwaar van eiseres een nader onderzoek ingesteld naar de noodzaak van de gevraagde voorziening in verband met de onderlinge samenhang binnen de leefeenheid. Uit het op 24 juni 2009 uitgebrachte advies blijkt dat de onderlinge samenhang binnen de leefeenheid ten aanzien van vervoer geen meerwaarde in deze situatie heeft omdat alleen voor de echtgenoot van eiseres een medische indicatie voor een vervoersvoorziening bestaat.

De rechtbank heeft in de door eiseres overgelegde inlichtingen van de huisarts en overige ter beschikking gestelde informatie van medische aard geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat ten tijde in geding sprake was van naar objectieve maatstaven gemeten medische beperkingen waardoor eiseres - onder andere vanwege haar angstklachten - niet in staat kan worden geacht redelijkerwijs geen gebruik kan maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer.”

3.1. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

3.2. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar haar psychische (angst)klachten. Ten aanzien hiervan dient te worden opgemerkt dat door appellante niet is gesteld en ook niet anderszins is gebleken dat zij zich vanwege bedoelde klachten onder behandeling heeft laten stellen. Overigens staat vast dat in het rapport van 14 januari 2009 van de GGD-arts De Vries de psychosociale problematiek van appellante wel genoemd is en daarom is aannemelijk dat deze is meegenomen bij de medische beoordeling van de noodzaak van een vervoersvoorziening. Ditzelfde geldt voor de osteoporose. Ook met deze aandoening aan het bewegingsapparaat is blijkens het rapport van De Vries rekening gehouden bij de beoordeling.

3.3. Tot slot heeft appellante in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgrond van appellante dat het college, door de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de auto abrupt en rauwelijks te stoppen nadat deze twee jaar lang wel was toegekend, in strijd heeft gehandeld met het rechtszekersheids- en vertrouwensbeginsel.

3.4. Blijkens de brief van 29 oktober 2008 van het college vindt jaarlijks een heronderzoek plaats voordat wordt overgegaan tot continuering van de forfaitaire autokostenvergoeding. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat door de toekenningen in eerdere jaren door het college het vertrouwen is gewekt dat de forfaitaire vergoeding onder alle omstandigheden gecontinueerd zou worden, zelfs als uit zo een onderzoek zou blijken dat daarop geen recht (meer) bestaat.

3.5. Verder valt niet in te zien dat, wanneer een in oktober 2008 aangekondigd en in december 2008 uitgevoerd heronderzoek, waarbij is aangegeven dat mogelijkerwijs een omzetting zal plaatsvinden van de forfaitaire tegemoetkoming tot verstrekking van een cvv-pas, leidt tot beëindiging van de tegemoetkoming per 1 april 2009, het strijd zou opleveren met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante heeft vijf maanden de tijd gehad om zich in te stellen op de (eventueel) veranderende situatie.

3.6. Naar uit het hiervoor in rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 overwogene blijkt heeft de rechtbank daarom terecht geen aanleiding gezien het beroep van appellante te laten slagen.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J. Brand en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.T.P. Pot

HD