Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY7014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
11-6459 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is op grond van de mededeling van de CWI-medewerker op 30 september 2008 ervan uitgegaan dat hij geen recht had op bijstand en heeft geen rechtsmiddelen aangewend. Hij heeft zich op 5 juni 2009 opnieuw voor bijstand gemeld en een nieuwe aanvraag ingediend. Tegen de beslissing op die nieuwe aanvraag, waarbij hem met ingang van 5 juni 2009 bijstand is verleend, heeft hij geen bezwaar gemaakt. Pas nadat hem was gebleken dat de mededeling van de CWI-medewerker op 30 september 2008 mogelijkerwijs onjuist was, heeft hij alsnog bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 30 september 2008. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat appellant op de juistheid van de mededeling van de CWI-medewerker meende te moeten vertrouwen, voor zijn rekening dient te worden gelaten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6459 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 september 2011, 11/4117 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak 19 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Buijs. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 30 september 2008 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) voor algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij is hem, zoals uit het bewijs van melding blijkt, door de CWI-medewerker meegedeeld, dat een aanvraag om bijstand pas in behandeling wordt genomen wanneer betrokkene staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), dat inschrijving in de GBA pas plaatsvindt indien betrokkene een kamer of een woning in deze gemeente bewoont waarvan hij een huurovereenkomst kan overleggen en dat, om dit zo snel mogelijk te kunnen regelen, betrokkene belang heeft bij een voorrangsverklaring.

1.2. Appellant heeft zich, na een huurwoning te hebben betrokken en zich op zijn nieuwe woonadres te hebben laten inschrijven in de GBA, op 5 juni 2009 opnieuw bij het CWI gemeld voor algemene bijstand.

1.3. Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het college appellant met ingang van 5 juni 2009 bijstand toegekend. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4. Bij brief van 28 januari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 30 september 2008.

1.5. Bij besluit van 14 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat op 30 september 2008 van een voltooide aanvraag geen sprake is geweest. Dit zou volgens het college alleen het geval zijn geweest als appellant zijn aanvraagformulier ook daadwerkelijk zou hebben ingeleverd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. In het midden wordt gelaten of appellant op 30 september 2008 inderdaad een aanvraag heeft ingediend. Ook indien hiervan veronderstellenderwijs wordt uitgegaan, stond op 28 januari 2011 geen bezwaar meer open tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Appellant heeft immers na de gestelde aanvraag bijna 2,5 jaar laten verstrijken en dit is niet verschoonbaar. Appellant had uit de mededeling van de CWI op 30 september 2008 al kunnen afleiden dat geen beslissing op de aanvraag meer te verwachten viel. Dat appellant op de juistheid van de mededeling van de CWI meende te moeten vertrouwen, dient voor zijn rekening te komen. Bij zijn aanvraag in juni 2009 heeft appellant niet te kennen gegeven zijn aanvraag van 30 september 2008 te handhaven. Het bezwaarschrift is dan ook onredelijk laat ingediend, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft op 30 september 2008 wel degelijk een aanvraag ingediend. Het aanvraagformulier is ingeleverd, maar niet verwerkt. Hij heeft mondeling te horen gekregen dat hij geen recht op bijstand had. Hij mocht erop vertrouwen dat de mededelingen van de CWI-medewerker juist waren. Toen hem bleek dat die mededeling mogelijkerwijs onjuist was, heeft hij direct bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank legt de gang van zaken ten onrechte geheel in zijn risicosfeer en heeft ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar onredelijk laat is ingediend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals dit luidde vóór 1 oktober 2009 en van toepassing is in deze zaak, is in het eerste lid bepaald dat, indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het niet aan een termijn is gebonden. Ingevolge het derde lid wordt het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

4.2. Indien, zoals de rechtbank heeft gedaan, veronderstellenderwijs ervan uit wordt gegaan dat appellant op 30 september 2008 een aanvraag om bijstand heeft ingediend, moet worden vastgesteld dat appellant, gelet op de beslistermijn van acht weken als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, pas na ruim twee jaar en twee maanden na het niet tijdig beslissen op de aanvraag bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant het bezwaarschrift onredelijk laat heeft ingediend. Appellant is op grond van de mededeling van de CWI-medewerker op 30 september 2008 ervan uitgegaan dat hij geen recht had op bijstand en heeft geen rechtsmiddelen aangewend. Hij heeft zich op 5 juni 2009 opnieuw voor bijstand gemeld en een nieuwe aanvraag ingediend. Tegen de beslissing op die nieuwe aanvraag, waarbij hem met ingang van 5 juni 2009 bijstand is verleend, heeft hij geen bezwaar gemaakt. Pas nadat hem was gebleken dat de mededeling van de CWI-medewerker op 30 september 2008 mogelijkerwijs onjuist was, heeft hij alsnog bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 30 september 2008. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat appellant op de juistheid van de mededeling van de CWI-medewerker meende te moeten vertrouwen, voor zijn rekening dient te worden gelaten (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 juli 2009, LJN BJ1948).

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) P.J.M. Crombach

HD