Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11-513 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen reden om te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in verband met zijn buikklachten beperkt is ten aanzien van frequent diep buigen en de hele dag aaneengesloten lopen. De bezwaarverzekeringsarts heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellant niet ongeschikt was voor zijn werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/513 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 december 2010, 10/2348 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B. Zebregs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zebregs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zich op 12 oktober 2009, vanuit een situatie waarin hij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld. Voordien had appellant laatstelijk van 23 februari 2009 tot 20 maart 2009 voor 40 uur per week als magazijnmedewerker bij werkgever [werkgever] gewerkt.

2. Bij besluit van 3 maart 2010 heeft het Uwv de aan appellant toegekende ziekengelduitkering met ingang van 8 maart 2010 beëindigd, omdat appellant op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 mei 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat daaraan voorafgaand geen onderzoek had plaatsgevonden naar de aard van de werkzaamheden van appellant en ook niet was aangegeven welke beperkingen appellant had.

3.2. De rechtbank heeft met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat, gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet (ZW), als arbeidsmaatstaf moet worden aangenomen het productiewerk bij [werkgever]. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat een bezwaararbeidsdeskundige op 27 augustus 2010 alsnog een rapportage heeft uitgebracht, waarin de belasting van appellants werk bij voormelde werkgever wordt beschreven en dat de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 31 augustus 2010 gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij van mening was dat appellant geschikt was om deze arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden en was er geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De door appellant ingebrachte medische gegevens van de behandelend sector en het overgelegde arbeidspsychologisch rapport van 30 september 2010 vormden voor de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. Nu uit de werkomschrijving blijkt dat in het werk van appellant frequent en diep buigen en de hele dag lopen niet voorkwamen, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden de ZW-uitkering van appellant per 8 maart 2010 beëindigd.

4. Het hoger beroep is gericht tegen het onder 3.2 vermelde oordeel van de rechtbank. Appellant heeft daarbij de maatstaf voor de arbeid bestreden, omdat hij zijn laatste werk minder dan een maand heeft gedaan, terwijl hij voorheen acht jaar bij [M. ] heeft gewerkt. Bovendien acht appellant zich zodanig beperkt dat hij geen lichte productiewerkzaamheden kan uitoefenen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Nu appellant laatstelijk bij [werkgever] meer dan een week heeft gewerkt moet op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dit werk (bij een soortgelijke werkgever) als maatstaf voor de in aanmerking te nemen arbeid worden gehanteerd.

5.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen reden om te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in verband met zijn buikklachten beperkt is ten aanzien van frequent diep buigen en de hele dag aaneengesloten lopen. Nu uit de arbeidskundige rapportage van 27 augustus 2010 blijkt dat appellants werk een lichte productiefunctie betrof waarbij een belasting als voormeld niet voorkwam, heeft de bezwaarverzekeringsarts op goede gronden geconcludeerd dat appellant niet ongeschikt was voor dit werk. Gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 12 oktober 2010 vormt ook voormeld arbeidspsychologisch rapport van 30 september 2010 geen reden voor een ander oordeel.

5.3. Bij brief van 19 oktober 2012 heeft appellant nog nadere medische gegevens overgelegd. Deze hebben echter enerzijds geen betrekking op de datum hier in geding en bevatten anderzijds, mede gelet op hetgeen de gemachtigde van het Uwv ter zitting - na overleg met een bezwaarverzekeringsarts - daaromtrent heeft verklaard, geen informatie die er op wijst dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellant destijds verkeerd heeft beoordeeld.

5.4. Hetgeen appellant heeft aangevoerd is dus geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

7. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker