Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11-161 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Er bestaan onvoldoende aanknopingspunten om de bevindingen van de deskundige voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/161 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2010, 10/1585 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B. ] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

De Raad heeft psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft een schriftelijk verslag van zijn onderzoek, gedateerd 23 juli 2012, uitgebracht, waarop door partijen is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beishuizen. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 29 augustus 2006 uitgevallen voor zijn werk als medewerker tuinbouw vanwege enkelklachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 26 augustus 2008 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedroeg. Hieraan ten grondslag ligt onder meer een arbeidskundig rapport van 3 juli 2008. In dit rapport is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant ongeschikt is te achten voor zijn maatgevende arbeid van medewerker tuinbouw, maar geschikt kan worden geacht voor de functies van sorteerder/controleur, productiemedewerker en inpakker. Appellant heeft zich vervolgens per 11 oktober 2008 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens rug- en beenklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellant heeft meerdere malen het spreekuur heeft bezocht van een arts, voor het laatst op 16 november 2009 bij van A.A. Rashidi. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 23 november 2009 geschikt is voor de in het kader van de Wet WIA-beoordeling geduide functies. Bij besluit van 16 november 2009 heeft het Uwv dienovereenkomstig het ziekengeld van appellant met ingang van 23 november 2009 beëindigd.

1.2. Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 november 2009 bij besluit van 27 januari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een rapport overgelegd van psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars en klinisch psycholoog dr. drs. L.E.E. Ligthart van 9 augustus 2011. Onder verwijzing naar rapporten van Trompenaars van 3 augustus 2012 en medisch adviseur drs. C.E.M. van Geest van 20 augustus 2012, heeft appellant aanvullend gesteld dat de conclusies met betrekking tot de ernst van de klachten van appellant bevestigd worden door deskundige Van Marle, zodat het logisch is om de bevindingen van Trompenaars te volgen.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De ingebrachte bezwaren vormen niet een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze.

4.3. Deskundige Van Marle is tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake is van een reactieve depressieve stoornis waarbij tevens narcistische trekken herkenbaar zijn, in de DSM-IV classificatie nader omschreven als een dysthyme stoornis. Vanuit de anamnese, de eigen onderzoeksbevindingen - waaronder het bestuderen van de in het dossier aanwezige medische informatie - en gezien de aard van de problematiek kan volgens Van Marle worden gesteld dat het aannemelijk is dat appellant op 23 november 2009 al leed aan depressieve klachten die reactief zijn op de beperkingen die appellant ervoer ten gevolge van alle fysieke problemen tot dan toe. Deze aanname wordt volgens de deskundige gesterkt door de correspondentie van PsyQ van 7 januari 2010. Bovendien waren narcistische trekken naar alle waarschijnlijkheid destijds ook al aanwezig, aangezien deze zich meestal ontwikkelen rond de adolescentieperiode. Op grond van deze conclusie wordt appellant door Van Marle matig beperkt geacht op de gebieden activiteiten van het dagelijks leven, sociaal functioneren en adaptatie. Op het gebied van concentratie wordt appellant ten slotte matig tot behoorlijk beperkt geacht.

4.4. De in hoger beroep overgelegde reacties van Trompenaars en Van Geest, waarin in beide gevallen is verwezen naar het onder 3 genoemde rapport van 9 augustus 2011, kan niet tot het oordeel leiden dat het inzichtelijk en overtuigend gemotiveerde standpunt van de deskundige niet juist zou zijn. Ook Trompenaars stelt als diagnose een reactieve depressie. Dat Trompenaars de reactieve depressie als ernstig heeft benoemd, is door deskundige Van Marle, zoals blijkt uit zijn schriftelijk verslag van zijn onderzoeksbevindingen, bij zijn onderzoek meegewogen. Nadien is van de zijde van appellant geen nadere met medische gegevens onderbouwde motivering ingebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de bevindingen van deskundige Van Marle.

4.5. Uit het rapport van Rashidi van 16 november 2009 blijkt voorts dat deze arts destijds heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van psychische klachten die reactief zijn en onder meer te maken hebben met het feit dat appellant locomotoir beperkt is geworden. Gelet op de onder 4.3 weergegeven conclusie van Van Marle kan worden vastgesteld dat de bevindingen van Rashidi door de deskundige worden bevestigd. Voorts blijkt uit het rapport van Van Duijn van 22 januari 2010, aangevuld met het rapport van 6 augustus 2012, dat bij de beoordeling van de geschiktheid van appellant voor de eerder geduide functies, met de door Van Marle vastgestelde psychische klachten in voldoende mate rekening is gehouden. Van Duijn heeft immers eveneens geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een matig depressief toestandsbeeld. Hierbij heeft hij, in overeenstemming met de conclusie van deskundige Van Marle, als beperkingen een matig beperkt aanpassingsvermogen en matig beperkt sociaal functioneren, bij een matig tot behoorlijk beperkte concentratie geduid. Met inachtneming van deze beperkingen heeft Van Duijn de eerder geduide functies beoordeeld en is hij tot de conclusie gekomen dat, nu de functies weinig psychische belasting laten zien, deze functies voor appellant passend zijn.

5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan om de bevindingen van Van Duijn voor onjuist te houden. Het Uwv heeft dan ook op goede gronden het ziekengeld met ingang van 23 november 2009 beëindigd.

6. Bovenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker