Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11-1814 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1814 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 februari 2011, 10/3004 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 november 2012. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als hulpverlener bij de [naam stichting] voor 36 uur per week. Hij is bekend met een cervicobrachiaalsyndroom. Op 11 mei 2010 heeft hij zich ziek gemeld wegens klachten van overspannenheid en schouder- en nekklachten. Appellant heeft op 14 juni 2010 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft hem vervolgens geschikt geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 14 juni 2010 is appellants uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 15 juni 2010 beëindigd. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 augustus 2010 ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 3 augustus 2010 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank zijn de uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende gemotiveerd en voldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden en heeft doorslaggevende betekenis aan die rapporten toegekend. Inzake het standpunt van appellant dat het medische onderzoek steeds door dezelfde verzekeringsarts wordt verricht, heeft de rechtbank geoordeeld dat voor verzekeringsgeneeskundige keuringen geen vrije artsenkeuze geldt en appellant bovendien sinds zijn eerste ziekmelding in 2007 door drie verschillende bezwaarverzekeringsartsen is gezien.

3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de gronden in bezwaar en in beroep en heeft andermaal benadrukt dat hij steeds door dezelfde verzekeringsarts is onderzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht en kennis genomen van het reeds aanwezige medische dossier van appellant. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts dossierstudie verricht en heeft hij appellant op de hoorzitting van 16 juli 2010 gesproken. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de bevindingen van de verzekeringsarts gehandhaafd kunnen worden, mede nu appellant geen nieuwe medische gegevens heeft aangedragen. Op grond daarvan heeft hij appellant in staat geacht om met zijn beperkingen zijn eigen arbeid te verrichten. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden aangezien geen nieuwe medische informatie is overgelegd.

4.3. Voor zover appellant met zijn standpunt dat hij steeds door dezelfde verzekeringsarts wordt gekeurd, bedoelt te betogen dat deze arts jegens hem vooringenomen is, wordt vastgesteld dat daarvoor in het rapport van 14 juni 2010 geen aanknopingspunten zijn te vinden. Overigens heeft appellant zijn standpunt niet aannemelijk gemaakt. Daarbij komt dat appellant in de bezwaarprocedure door een bezwaarverzekeringsarts is gezien die de gezondheidssituatie van appellant opnieuw heeft beoordeeld. Bovendien blijkt uit het rapport van deze arts van 3 augustus 2010 dat appellant bij de afronding van de hoorzitting te kennen heeft gegeven dat hij een goed gesprek met de bezwaarverzekeringsarts heeft gehad.

5. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker