Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11-5508 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel ter hoogte van de volledige WW-uitkering gedurende de periode van 15 november 2010 tot 24 januari 2011, omdat appellante volgens het Uwv zonder geldige reden haar aangeboden passende arbeid niet heeft geaccepteerd. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het aanbod van het bedrijf passende arbeid voor appellante was. Dat appellante meende uitzicht te hebben op arbeid bij een ander bedrijf , die beter zou aansluiten bij haar eerdere werkzaamheden als officemanager en bovendien zou kunnen worden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een half jaar, doet aan de passendheid van de arbeid bij het bedrijf niet af. Onvoldoende concreet aanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5508 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 augustus 2011, 11/922 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.B.M. Kersten, advocaat, hoger beroep ingesteld en twee getuigenverklaringen ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2012. Appellante en mr. Kersten zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is ruim tien jaar, laatstelijk gedurende 24 uur per week, werkzaam geweest als officemanager voordat zij als gevolg van bedrijfseconomische omstandigheden werkloos werd. Met ingang van 1 maart 2010 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Met een e-mailbericht van 27 oktober 2010 heeft een medewerker van WERKbedrijf Peelland (werkcoach) appellante op de hoogte gebracht van een vacature voor de functie van telefoniste/receptioniste bij [het bedrijf], die voor appellante geschikt kon zijn. Appellante heeft met een e-mailbericht van 28 oktober 2010 aan de werkcoach laten weten in de functie geïnteresseerd te zijn. Op 15 november 2010 heeft de werkcoach in een gespreksverslag geconstateerd dat appellante de functie van telefoniste/receptioniste niet heeft aanvaard, omdat die haar op basis van de tijdens het sollicitatiegesprek verkregen informatie beneden haar niveau leek en omdat zij een sollicitatie naar een haar beter passende functie had lopen. Bij [het bedrijf] ging het om een functie voor 24 uur per week voor de duur van 2,5 maand, waarin appellante direct had kunnen starten.

1.3. Bij besluit van 30 november 2010 heeft het Uwv aan appellante een maatregel opgelegd ter hoogte van de volledige WW-uitkering gedurende de periode van 15 november 2010 tot 24 januari 2011, omdat appellante volgens het Uwv zonder geldige reden haar aangeboden passende arbeid niet heeft geaccepteerd.

1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 30 november 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 30 november 2010 gehandhaafd. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante een concreet aanbod voor passend werk niet had mogen weigeren in een situatie waarin een sollicitatie naar een functie elders nog niet tot een sollicitatiegesprek had geleid. Bij zijn besluit heeft het Uwv in aanmerking genomen dat appellante als officemanager heeft gefunctioneerd op HBO-niveau, maar dat gelet op de duur van haar werkloosheid een functie op MBO-niveau, zoals beschikbaar bij [het bedrijf], passend geacht kan worden. Het Uwv heeft verder in aanmerking genomen dat het door [het bedrijf] geboden salaris overeenkomt met het salaris dat appellante voor het intreden van haar werkloosheid als officemanager heeft verdiend.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is het appellante in beslissende mate aan te rekenen dat zij de functie bij [het bedrijf] niet heeft verkregen en daaruit volgt dat zij het voorschrift heeft overtreden dat een werknemer moet voorkomen werkloos te blijven omdat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv gehouden was tot oplegging van de bij het bestreden besluit gehandhaafde maatregel.

3.1. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat de functie bij [het bedrijf] niet passend was omdat het werk op LBO-niveau betrof. Zij is onder verwijzing naar de twee ingebrachte getuigenverklaringen van mening dat haar in het geheel niet, of althans in verminderde mate, kan worden verweten dat zij op het aanbod van [het bedrijf] niet is ingegaan, omdat zij anders dan het Uwv heeft aangenomen al wel een concreet aanbod van de andere werkgever ([een ander bedrijf]) had gekregen. Zij heeft tot slot gesteld dat de duur van de maatregel onjuist is vastgesteld omdat het aanbod van [het bedrijf] zag op tijdelijk werk voor twee maanden.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overwegingen 7 tot en met 9 en overweging 14 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 27, achtste lid, van de WW het Uwv kan afzien van het opleggen van een maatregel als daarvoor dringende redenen zijn.

4.2. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het aanbod van [het bedrijf] passende arbeid voor appellante was. Niet in geschil is dat arbeid op MBO-niveau, uitgaande van een functioneren door appellante als officemanager op HBO-niveau, gelet op de duur van haar werkloosheid in beginsel ook voor haar als passend moest worden beschouwd. De stelling van appellante dat [het bedrijf] haar werk als telefoniste/receptioniste op LBO-niveau heeft aangeboden, staat haaks op de eisen die [het bedrijf] in de vacaturetekst heeft opgenomen en wordt door haar op geen enkele wijze onderbouwd.

4.3. Dat appellante meende uitzicht te hebben op arbeid bij [een ander bedrijf], die beter zou aansluiten bij haar eerdere werkzaamheden als officemanager en bovendien zou kunnen worden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een half jaar, doet aan de passendheid van de arbeid bij [het bedrijf] niet af. Het vermeende uitzicht op werkzaamheden bij [een ander bedrijf], welke werkzaamheden appellante, zoals ter zitting is gebleken, nimmer heeft verkregen, was onvoldoende concreet. Met de twee in hoger beroep ingebrachte verklaringen van mevrouw [C.] van [een ander bedrijf] heeft appellante wel aannemelijk gemaakt dat over een aantal arbeidsvoorwaarden al overeenstemming was bereikt en ter zitting heeft appellante uiteengezet dat ook al over de inhoud van de te verrichten administratieve werkzaamheden was gesproken. Maar dat neemt niet weg dat [een ander bedrijf] met appellante nog geen afspraken kon maken over de datum van indiensttreding omdat die afhankelijk was gesteld van een nog te realiseren verhuizing van het bedrijf. Omdat op appellante de plicht rustte om het voortduren van haar werkloosheid te voorkomen, was de onzekere aanvang van het werk bij [een ander bedrijf] geen beletsel om in te gaan op het passende aanbod van [het bedrijf].

4.4. Niet in geschil is dat appellante met ingang van 15 november 2010 bij [het bedrijf] aan het werk zou zijn geweest als zij het aanbod had aanvaard. Omdat het aanbod van [het bedrijf] een functie betrof met eenzelfde urenomvang als die van haar WW-recht, was het Uwv op grond van artikel 27, tweede lid, van de WW gehouden de uitkering met ingang van 15 november 2010 blijvend geheel te weigeren. Met de tijdelijke weigering, waartoe het Uwv heeft besloten, is appellante niet te kort gedaan.

4.5. Appellante doet tevergeefs een beroep op artikel 27, achtste lid, van de WW. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 5 juli 2006, LJN AY3905) kunnen de in dat artikellid genoemde dringende redenen niet bestaan uit factoren die te maken hebben met de oorzaak van de maatregel. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel voor een verzekerde heeft gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Appellante heeft weliswaar gesteld dat zij als gevolg van de beëindiging van de WW-uitkering verder in inkomen is achteruitgaan omdat ook de uitkering uit een woonlastenverzekering is stopgezet, maar enige inzage in haar financiële situatie op en na

15 november 2010 heeft zij niet gegeven.

5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary