Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11-6299 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag. De aan appellant op 21 september 2010 verleende verblijfsvergunning over de periode 27 mei 2009 tot 27 mei 2011 is niet aan te merken als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Bij een novum dient het immers te gaan om een feit dat of omstandigheid die ziet op het oorspronkelijke besluit, en daarvan is met de bij besluit van 21 september 2010 verleende verblijfsvergunning over de periode van 27 mei 2009 tot 27 mei 2011 geen sprake. Anders dan appellant stelt, heeft het Uwv in het bestreden besluit wel beoordeeld of appellant per 27 mei 2009 aanspraak kon maken op een WW-uitkering. De conclusie van het Uwv dat appellant per 27 mei 2009 geen recht heeft op een WW-uitkering is juist, nu hij - zoals het Uwv stelt en appellant niet betwist - tussen september 2002 en 27 mei 2009 geen werkzaamheden als werknemer heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6299 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 september 2011, 11/245 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1. In verband met de intrekking van zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft appellant per 11 september 2002 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 17 september 2002 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft. In dit besluit staat tevens vermeld:

“Zodra u (weer) rechtmatig in Nederland verblijft en/of u (weer) in overeenstemming met de Wet Arbeid Vreemdelingen arbeid verricht, kunt u opnieuw een uitkering aanvragen. U moet dan wel aan de overige voorwaarden voor het recht op uitkering voldoen.”

Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

1.2. Bij besluit van 21 september 2010 heeft de Minister van Justitie appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij partner V.G.T. Lentjes’ van 27 mei 2009 tot 27 mei 2011.

1.3. Op 6 oktober 2010 heeft appellant opnieuw een WW-uitkering aangevraagd per 11 september 2002. Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant de WW-uitkering niet binnen 26 weken na 11 september 2002 heeft aangevraagd.

1.4. Bij besluit van 17 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv - gewijzigd - ten grondslag gelegd dat de aanvraag van appellant aangemerkt moet worden als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat appellant daarbij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Het Uwv heeft tevens vastgesteld dat op 27 mei 2009, de datum met ingang waarvan aan appellant een verblijfsvergunning is verleend, geen recht op WW-uitkering bestaat op de grond dat appellant tussen september 2002 en 27 mei 2009 niet heeft gewerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv hem ongeclausuleerd heeft toegezegd dat hij in aanmerking kon komen voor een WW-uitkering indien hij een verblijfsvergunning had. Voorts heeft appellant betoogd dat de aan hem in 2010 over de periode 27 mei 2009 tot 27 mei 2011 verleende verblijfsvergunning kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit. Appellant heeft tevens aangevoerd dat het Uwv had moeten beoordelen of per 27 mei 2009 aanspraak op een WW-uitkering bestond.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB, 3 oktober 2012, LJN BX9070) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Uit het besluit van 17 september 2002 en dan met name de in 1.1 weergegeven alinea blijkt niet van een dergelijke toezegging, nu daarin de voorwaarden worden weergegeven waaronder appellant in de toekomst in aanmerking zou kunnen komen voor een WW-uitkering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen.

4.2.1. Het Uwv heeft de aanvraag van 6 oktober 2010 van appellant om een WW-uitkering vervolgens terecht aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.2.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2.3. Bij besluit van 17 september 2002 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een WW-uitkering per 11 september 2002 afgewezen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 6 oktober 2010 heeft appellant een nieuwe aanvraag om een WW-uitkering ingediend per 11 september 2002. De aan appellant op 21 september 2010 verleende verblijfsvergunning over de periode 27 mei 2009 tot 27 mei 2011 is niet aan te merken als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Bij een novum dient het immers te gaan om een feit dat of omstandigheid die ziet op het oorspronkelijke besluit, en daarvan is met de bij besluit van 21 september 2010 verleende verblijfsvergunning over de periode van 27 mei 2009 tot 27 mei 2011 geen sprake.

4.2.4. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 17 september 2002. In hetgeen door appellant is gesteld is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.3. Anders dan appellant stelt, heeft het Uwv in het bestreden besluit wel beoordeeld of appellant per 27 mei 2009 aanspraak kon maken op een WW-uitkering. De conclusie van het Uwv dat appellant per 27 mei 2009 geen recht heeft op een WW-uitkering is juist, nu hij - zoals het Uwv stelt en appellant niet betwist - tussen september 2002 en 27 mei 2009 geen werkzaamheden als werknemer heeft verricht.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) I.J. Penning