Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
12-3692 ZVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan geen verwijt treft met betrekking tot het later onjuist geachte en niet gehandhaafde besluit, zoals ook in het onderhavige geval, is geen reden om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. In beginsel mocht Cvz op de door de Belastingdienst verstrekte gegevens afgaan. Nadien is echter komen vast te staan dat de Belastingdienst onjuiste gegevens over het wereldinkomen van betrokkene aan Cvz heeft verstrekt. Cvz heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze onjuiste gegevens door toedoen van betrokkene zijn verstrekt, zodat niet is gebleken dat het aan betrokkene is te wijten dat Cvz bij de voorbereiding van het besluit van 19 mei 2011 is uitgegaan van onjuiste gegevens. Ook de omstandigheid dat betrokkene na de NiNbi-beschikking van 26 augustus 2011 beroep bij de rechtbank heeft ingesteld is geen omstandigheid die dwingt tot de conclusie dat van voornoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Betrokkene had op dat moment immers nog geen nieuw besluit over de gewijzigde buitenlandbijdrage ontvangen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 2012-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/38 met annotatie van J.H. Keinemans

Uitspraak

12/3692 ZVW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2012, 11/4233 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

[A. te B.]

Datum uitspraak 19 december 2012.

PROCESVERLOOP

Cvz heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft F. te Wierik een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2012. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Siemeling. Betrokkene is - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene, geboren in 1941, woont in Duitsland en ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.

1.3. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is betrokkene door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft zij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland (Duitsland), ten laste van Nederland

(het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.4. Bij besluit van 19 mei 2011 heeft Cvz de jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage over 2007 definitief vastgesteld op € 4.054,17.

1.5. Bij besluit van 28 juli 2011 (bestreden besluit) heeft Cvz het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 mei 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft Cvz aangegeven dat de definitieve jaarafrekening is opgesteld aan de hand van de beschikking Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi-beschikking) van de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft aan Cvz doorgegeven dat het wereldinkomen van betrokkene ambtshalve is vastgesteld op € 42.000,--. Op grond van dit inkomen heeft Cvz de door betrokkene verschuldigde buitenlandbijdrage berekend. Indien betrokkene het niet eens is met de hoogte van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen kan zij bezwaar maken bij de Belastingdienst. Indien de Belastingdienst overgaat tot herziening van de NiNbi-beschikking dan kan betrokkene Cvz verzoeken om herziening van de definitieve jaarafrekening.

1.6. Op 26 augustus 2011 heeft de Belastingdienst een herziene NiNbi-beschikking afgegeven, waaruit blijkt dat het voor de buitenlandbijdrage in aanmerking te nemen wereldinkomen van betrokkene € 10.640,-- bedraagt.

1.7. Betrokkene heeft op 31 augustus 2011 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.8. Bij brief van 21 oktober 2011 heeft Cvz de rechtbank meegedeeld dat het bestreden besluit komt te vervallen en dat op 13 oktober 2011 een nieuw besluit op bezwaar is genomen. Op basis van de herziene NiNbi-beschikking van 26 augustus 2011 heeft Cvz de definitieve jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage vastgesteld op € 1.444,84.

1.9. Bij brief van 17 november 2011 heeft betrokkene het beroep ingetrokken en de rechtbank tevens verzocht Cvz te veroordelen in de proceskosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Cvz veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair zijn vastgesteld op € 437,-- als kosten voor verleende rechtsbijstand.

3.1. Cvz heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Cvz heeft aangegeven dat betrokkene in de gegeven omstandigheden zonder noodzaak beroep heeft ingesteld. In deze situatie dient een uitzondering op de vaste jurisprudentie van de Raad te worden gemaakt waarbij als regel geldt dat een verzoek tot veroordeling in de proceskosten moet worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Cvz verwijst in dit verband naar het bestreden besluit, waarin aan betrokkene is meegedeeld dat wanneer de Belastingdienst over zou gaan tot herziening van de NiNbi-beschikking van betrokkene, hij het Cvz vervolgens kon verzoeken om herziening van de definitieve jaarafrekening 2007. Van belang is volgens Cvz dat de Belastingdienst de NiNbi-beschikking voor betrokkene op 26 augustus 2011 heeft herzien, zodat betrokkene Cvz had kunnen verzoeken om herziening in plaats van het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank.

3.2. Namens betrokkene is naar voren gebracht dat Cvz in bezwaar ten onrechte niet heeft onderzocht om welke reden de Belastingdienst ambtshalve de NiNbi-beschikking heeft vastgesteld, maar er zonder meer van is uitgegaan dat de ambtshalve vaststelling te wijten is aan betrokkene.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge het eerste lid van artikel 8:75a van de Awb kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten worden veroordeeld. Cvz heeft het bestreden besluit ingetrokken naar aanleiding van de herziene NiNbi-beschikking van de Belastingdienst van 26 augustus 2011, waarbij de vaststelling van het wereldinkomen van betrokkene over 2007 is herzien van € 42.000,-- naar € 10.640,--. Betrokkene kan zich verenigen met het nieuwe besluit op bezwaar van 13 oktober 2011. Cvz is derhalve aan het beroep van betrokkene tegemoetgekomen. In geval van een tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Slechts in bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. De bewijslast dat van dergelijke omstandigheden sprake is ligt bij het bestuursorgaan. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld is de enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan geen verwijt treft met betrekking tot het later onjuist geachte en niet gehandhaafde besluit, zoals ook in het onderhavige geval, geen reden om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. In beginsel mocht Cvz op de door de Belastingdienst verstrekte gegevens afgaan. Nadien is echter komen vast te staan dat de Belastingdienst onjuiste gegevens over het wereldinkomen van betrokkene aan Cvz heeft verstrekt. Cvz heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze onjuiste gegevens door toedoen van betrokkene zijn verstrekt, zodat niet is gebleken dat het aan betrokkene is te wijten dat Cvz bij de voorbereiding van het besluit van 19 mei 2011 is uitgegaan van onjuiste gegevens. Ook de omstandigheid dat betrokkene na de NiNbi-beschikking van 26 augustus 2011 beroep bij de rechtbank heeft ingesteld is geen omstandigheid die dwingt tot de conclusie dat van voornoemd uitgangspunt moet worden afgeweken. Betrokkene had op dat moment immers nog geen nieuw besluit over de gewijzigde buitenlandbijdrage ontvangen.

4.3 Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van Cvz een griffierecht wordt geheven van € 466,--.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.T.P. Pot

QH