Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
12/42 BESLU + 12/43 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overschrijding is zowel aan de bestuurlijke als de rechterlijke fase toe te rekenen. Betreffende de redelijke termijn in de bestuurlijke fase is de termijn van zes maanden met ruim tweeënhalve maand overschreden. De redelijke termijn in de rechterlijke fase is in totaal vier jaar en iets meer dan zes maanden. Na het in mindering brengen van de mediationperiode resteert vier jaar en iets meer dan een maand. Daarmee is sprake van een overschrijding van ruim zes maanden. Proceskostenveroordeling. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/146

Uitspraak

12/42 BESLU, 12/43 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[A. te B.]

De Staat der Nederlanden, de Minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Datum uitspraak 19 december 2012.

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 december 2010, 2007/1020, in het geding tussen verzoekster en CIZ.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1943, beslist op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend. De reden van die heropening was de voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, in een brief van 7 juni 2012 een uiteenzetting gegeven.

Verzoekster heeft in een brief van 3 juli 2012 hierop gereageerd.

CIZ heeft in een brief van 27 maart 2012 haar standpunt toegelicht. Hierop heeft verzoekster in een brief van 25 mei 2012 gereageerd. CIZ heeft daarop een reactie gegeven in een brief van 19 juni 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 11/4255 AWBZ. Verzoekster is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en mr. M.A.E. Bol. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater en O. Talhaoui. De Staat is niet verschenen. In de gevoegde zaken doet de Raad afzonderlijk uitspraak.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad heeft in zijn uitspraak van 25 januari 2012 zowel ten aanzien van de bestuurlijke als de rechterlijke fase overwogen dat aan de behandelingsduur het vermoeden kan worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden.

1.2. De Staat heeft gesteld dat in de rechterlijke fase sprake is van een totale behandelduur van vier jaar en ruim vier maanden. Op deze periode moeten ruim elf maanden in mindering worden gebracht omdat in die tijd mediation heeft plaatsgevonden tussen verzoekster en CIZ. Dat resulteert erin dat er geen sprake is van een voor schadevergoeding in aanmerking komende overschrijding van de redelijke termijn.

1.3. CIZ heeft gesteld dat mede gelet op artikel 58 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) haar beslistermijn eindigt op 23 mei 2007. CIZ heeft die termijn met een week overschreden door op 30 mei 2007 het besluit op bezwaar te nemen. Zeker gelet op de veelvuldige contacten die tussen partijen zijn geweest en het feit dat er al een forse indicatie was gesteld, leidt de overschrijding van een week niet tot de gevolgtrekking dat verzoekster in een grote mate van onzekerheid heeft verkeerd. CIZ rekent mee dat verzoekster in diverse procedures niet alle medewerking heeft verleend die van haar verwacht mocht worden.

1.4. Verzoekster heeft ten aanzien van de bestuurlijke en rechterlijke fase aangevoerd dat er twee keer een schadevergoeding moet worden toegekend omdat er sprake was van twee bezwaren.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoekster gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van verzoekster, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in overweging 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.3. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift op 7 september 2006 tot de datum van de uitspraak van de Raad op 25 januari 2012 is vijf jaar en ruim vier maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoekster aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Voor de bepaling van de redelijke termijn moet echter de tijd die gemoeid is geweest met een poging tot het oplossen van het geschil door middel van mediation, gedurende welke de behandeling bij de rechtbank heeft stilgelegen, niet worden meegerekend. Dat deze mediation is gestart naar aanleiding van wat is besproken op een zitting van 18 juni 2008 van de Raad maakt dat niet anders. De ruime doelstelling van deze mediation zoals het is verwoord in het proces-verbaal van de zitting van 18 juni 2008 houdt in dat niet is beoogd de mediation te beperken tot de zaken die toentertijd bij de Raad ter beoordeling voorlagen. De mediation is op zijn vroegst begonnen op 18 juni 2008. Als einddatum hanteert de Raad 14 november 2008. Dat is de datum waarop verzoekster de rechtbank heeft verzocht de procedure voort te zetten omdat het mediationtraject zonder resultaat was beëindigd. Daarmee komt de in mindering te brengen periode op bijna vijf maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn met bijna een jaar is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van twee maal € 500,--, dit is

€ 1.000,--. Anders dan verzoekster ziet de Raad geen aanleiding om dit bedrag dubbel te tellen vanwege het voeren van twee samenlopende bezwarenprocedures.

2.4. De overschrijding is zowel aan de bestuurlijke als de rechterlijke fase toe te rekenen.

2.4.1. De redelijke termijn in de bestuurlijke fase is begonnen op 7 september 2006. Het besluit op bezwaar heeft CIZ genomen op 30 mei 2007. Daarmee is de termijn van zes maanden met ruim tweeënhalve maand overschreden. Het feit dat artikel 58 AWBZ van toepassing is, geeft geen aanleiding om van het uitgangspunt van de redelijke termijn van zes maanden af te wijken.

2.4.2. De redelijke termijn in de rechterlijke fase is begonnen met de ontvangst op 17 juli 2007 door de rechtbank van het beroepschrift van verzoekster en is geëindigd met de uitspraak van de Raad op 25 januari 2012. Dat is in totaal vier jaar en iets meer dan zes maanden. Na het in mindering brengen van de mediationperiode resteert vier jaar en iets meer dan een maand. Daarmee is sprake van een overschrijding van ruim zes maanden.

2.4.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 10 september 2010, LJN BN6682, komt ten laste van CIZ een bedrag van € 250,-- en ten laste van de Staat een bedrag van € 750,--.

3. De Raad ziet aanleiding om de Staat en CIZ te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand, door CIZ en de Staat elk voor de helft te betalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster van € 750,--;

- veroordeelt CIZ tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster van € 250,--;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 437,--;

- veroordeelt CIZ in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 437,--.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J. Brand en H.J de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.T.P. Pot

HD