Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6684

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
12-1297 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering omdat appellante tijdens ziekte ontslag heeft genomen. Uit de door appellante overgelegde medische informatie blijkt niet dat de in 1992 als gevolg van de aan appellante overkomen ernstige omstandigheden ontstane PTSS, ten tijde hier in geding in zodanige mate is geluxeerd ten gevolge van het ongewenste handelen van haar leidinggevende, dat daarom haar ontslagname niet of verminderd verwijtbaar is of dat voortzetting van het dienstverband tot schade aan haar gezondheid zou leiden. Appellante heeft zich na de ongewenste handelingen door haar leidinggevende niet onder behandeling van een arts of therapeut gesteld. Niet gebleken is dat haar psychische toestand zodanig was dat zij de gevolgen van haar handelen niet kon overzien. Evenmin is sprake van een advies tot ontslagname door een behandelend arts, therapeut of maatschappelijk werker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1297 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 januari 2012, 11/2153 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellante is in persoon verschenen, het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De behandeling ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 21 november 2012. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als secretarieel medewerkster bij Stichting [naam stichting] voor 20 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 maart 2011 tot 1 maart 2012, is op 11 april 2011 uitgevallen wegens maag- en darmklachten, vermoeidheid en hoge bloeddruk. Op 3 mei 2011 heeft appellante in verband met gezondheidsredenen een ontslagaanvraag ingediend. De arbeidsovereenkomst van appellante met Stichting [naam stichting] is met wederzijds goedvinden per 1 juni 2011 beëindigd. Bij besluit van 20 juli 2011 is aan appellante meegedeeld dat haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) wordt geweigerd omdat zij tijdens ziekte ontslag heeft genomen.

1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juli 2011. Bij besluit van 20 september 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep A. Colijn van 15 september 2011 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante tijdens haar ziekte ontslag heeft genomen en daarmee de uitkeringsfondsen heeft benadeeld. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, weigert het Uwv in zo’n geval het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend. Niet gebleken is dat bij appellante sprake was van het geheel of verminderd ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid op grond waarvan het Uwv ingevolge het tweede lid van artikel 45 van de ZW had moeten afzien van het opleggen van de maatregel. De rechtbank acht het door het Uwv ingestelde medisch onderzoek zorgvuldig. Door appellante zijn geen medische tegenargumenten naar voren gebracht zodat het Uwv van de bevindingen van de verzekeringsartsen mocht uitgaan.

3. In hoger beroep betwist appellante de juistheid van het oordeel van de rechtbank. Zij voert daartoe (samengevat), evenals in bezwaar en beroep, aan dat door de verzekeringsartsen geen zorgvuldig onderzoek is verricht, dat het ontslag haar niet is te verwijten vanwege een ten tijde van de ontslagname heropleven van een posttraumatische stress stoornis (PTSS) en dat haar gezondheid schade zou hebben opgelopen indien zij bij deze werkgeefster zou zijn blijven werken.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Voor een beschrijving van het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is om het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Zowel verzekeringsarts H. Velda als verzekeringsarts bezwaar en beroep Colijn hebben appellante onderzocht en het dossier bestudeerd en hebben hun bevindingen inzichtelijk en overtuigend onderbouwd gerapporteerd.

4.3. Uit de door appellante overgelegde medische informatie blijkt niet dat de in 1992 als gevolg van de aan appellante overkomen ernstige omstandigheden ontstane PTSS, ten tijde hier in geding in zodanige mate is geluxeerd ten gevolge van het ongewenste handelen van haar leidinggevende, dat daarom haar ontslagname niet of verminderd verwijtbaar is of dat voortzetting van het dienstverband tot schade aan haar gezondheid zou leiden. Appellante heeft zich na de ongewenste handelingen door haar leidinggevende niet onder behandeling van een arts of therapeut gesteld. Niet gebleken is dat haar psychische toestand zodanig was dat zij de gevolgen van haar handelen niet kon overzien. Evenmin is sprake van een advies tot ontslagname door een behandelend arts, therapeut of maatschappelijk werker. Het Uwv heeft dan ook op goede gronden geweigerd om aan appellante een uitkering ingevolge de ZW toe te kennen.

5. Uit hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) Z. Karekezi