Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
11/2193 WWB + 11/4557 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling bedrag aan leenbijstand. De Raad is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat betrokkene blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, althans voor zover zij meer heeft uitgegeven voor de inrichting dan € 2.135,--. Betrokkene beschikte voor aanvang van de bijstand over een auto die niet meer door de keuring kwam en heeft vervolgens een auto aangeschaft voor € 3.650,--. Gelet op de hoogte van dit bedrag, als mede in aanmerking genomen dat door appellant een auto met een dagwaarde tot € 6.800,-- niet tot het vermogen wordt gerekend en de niet betwiste noodzaak van een auto in verband met het regelmatig halen en brengen van de pleegdochter van betrokkene, kan in dit verband niet gesproken worden van een tekortschietend besef in meergenoemde zin. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bedrag aan leenbijstand te bepalen op € 3.185,89 ( € 7.282,89 minus € 447,-- [verschil tussen € 2.135,-- en € 1.688,--] minus € 3.650,--).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2193 WWB, 11/4557 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 oktober 2009, 09/152 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (appellant)

[A. te B.]

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.H. Wormmeester, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Wormmeester.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 4 september 2008 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 27 november 2008 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 oktober 2008 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft deze bijstand tot een bedrag van € 8.976,44 verstrekt in de vorm van een geldlening en daarbij toepassing gegeven aan artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. Appellant stelt zich op het standpunt dat betrokkene blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, omdat zij van een bedrag van € 18.660,06 dat zij had ontvangen in verband met de verkoop van haar woning een bedrag van € 8.976,44 te snel heeft ingeteerd. Bij de vaststelling van het bedrag aan leenbijstand is appellant er onder meer vanuit gegaan dat betrokkene meer dan € 517,-- aan inrichtingskosten voor haar nieuwe woning heeft besteed. Voorts is het bedrag dat betrokkene heeft besteed aan de aanschaf van een auto bij het in aanmerking te nemen vermogen betrokken, omdat deze aanschaf is gedaan terwijl voorzienbaar was dat betrokkene bijstandsafhankelijk zou worden.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 27 januari 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard en het bedrag aan leenbijstand bepaald op € 7.282,89. Daarbij is rekening gehouden met een bedrag aan inrichtingskosten van € 1.688,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt, reeds omdat appellant ter zitting heeft aangegeven het bestreden besluit niet te handhaven. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of betrokkene onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, door voor het inrichten van haar nieuwe woning meer dan € 1.688,-- te besteden en door haar auto te vervangen, ontkennend moet worden beantwoord. De bedragen die betrokkene hieraan heeft besteed zijn niet zodanig hoog dat van onvoldoende besef in vorenbedoelde zin kan worden gesproken. Met betrekking tot de auto is daarbij mede in aanmerking genomen dat betrokkene haar auto moest vervangen omdat deze niet meer door de keuring kwam en dat zij van haar auto veelvuldig gebruik maakte voor onder meer het halen en brengen van haar pleegdochter.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens is aangegeven dat een bedrag aan inrichtingskosten van € 2.135,-- wel redelijk is.

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 7 december 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal dit besluit mede in de beoordeling worden betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 48, eerste lid, van de WWB is het uitgangspunt neergelegd dat de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover hier van belang, kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

4.2. In geschil is het antwoord op de vraag of betrokkene tekortschietend besef in de hiervoor bedoelde zin heeft betoond door voor het inrichten van haar nieuwe woning meer dan € 2.135,-- te besteden en door haar auto te vervangen terwijl voorzienbaar was dat betrokkene bijstandsafhankelijk zou worden.

4.3. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot de hoogte van de noodzakelijke inrichtingskosten en het beleid waarin is bepaald dat, wanneer voorzienbaar is dat iemand een bijstandsuitkering moet aanvragen en de betrokkene alsnog een auto aanschaft, deze auto volledig wordt meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

De inrichtingskosten

4.4. Het toegepaste beleid ziet op de normbedragen die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Dit beleid heeft echter geen betrekking op de invulling van het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. In het onderhavige geval is het als uitgangspunt niettemin aanvaardbaar. Appellant is terecht uitgegaan van 50% van het bedrag dat verstrekt wordt wanneer iemand een totale woning moet inrichten (per 1 oktober 2008 € 2.135,--), uitgaande van de veronderstelling dat betrokkene slechts de helft van het meubilair opnieuw diende aan te schaffen nu zij aanvankelijk achterbleef in de nadien verkochte echtelijke woning. Dat betrokkene stelt in werkelijkheid aanzienlijk meer kosten te hebben gemaakt, onder meer omdat zij de woning door derden diende te laten stofferen en schilderen, brengt niet met zich dat appellant van dit uitgangspunt had moeten afwijken, bezien in het licht van een vanuit bijstandsoogpunt verantwoorde besteding van gelden. Tegen deze achtergrond is de Raad anders dan de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat betrokkene blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, althans voor zover zij meer heeft uitgegeven voor de inrichting dan

€ 2.135,-- als voormeld. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

De auto

4.5. Het toegepaste beleid regelt het niet in aanmerking te nemen vermogen en vrij te laten bescheiden vermogen bij toepassing van artikel 34, tweede lid, van de WWB. Ook dit beleid heeft geen betrekking op de invulling van het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, maar ook in deze situatie kon appellant dit wel als uitgangspunt hanteren. Onder de gegeven omstandigheden had appellant echter van dit uitgangspunt moeten afwijken. Betrokkene beschikte voor aanvang van de bijstand over een auto die niet meer door de keuring kwam en heeft vervolgens een auto aangeschaft voor € 3.650,--. Gelet op de hoogte van dit bedrag, als mede in aanmerking genomen dat door appellant een auto met een dagwaarde tot € 6.800,-- niet tot het vermogen wordt gerekend en de niet betwiste noodzaak van een auto in verband met het regelmatig halen en brengen van de pleegdochter van betrokkene, kan in dit verband niet gesproken worden van een tekortschietend besef in meergenoemde zin. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

4.6. Aangezien de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit al gegrond heeft verklaard en dat besluit geheel heeft vernietigd, wordt volstaan met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bedrag aan leenbijstand te bepalen op € 3.185,89 ( € 7.282,89 minus € 447,-- [verschil tussen

€ 2.135,-- en € 1.688,--] minus € 3.650,--).

4.7. Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen volgt dat de grondslag aan het besluit van 7 december 2009 is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

5. Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak;

-herroept het besluit van 27 november 2008 voor zover dat ziet op het bedrag van de leenbijstand;

-stelt het bedrag aan leenbijstand vast op € 3.185,89;

-vernietigt het besluit van 7 december 2009;

-veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,--.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J. de Jong

RB