Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
11-2427 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Geen dringende redenen die nopen tot bijstandsverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2427 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2011, 10/18 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van burgemeester en wethouders van Uden (college)

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Door een incidentele nabetaling van pensioen aan de moeder van appellant (moeder), steeg haar inkomen in het peiljaar voor de bepaling van de eigen bijdrage in het kader van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) sterk. Vanaf 1 juli 2001 was de verschuldigde eigen bijdrage f. 1.883,41 per maand. Omdat de moeder dit niet kon betalen, heeft appellant allerlei rekeningen voor haar betaald. Hij heeft daartoe schulden gemaakt, onder meer bij een creditcardmaatschappij. In september 2002 bedroegen zijn schulden ongeveer € 5.400,--. De moeder is op 15 februari 2003 overleden. Appellant had toen schulden tot een bedrag van circa € 7.000,--.

1.2. Tegen de verhoging van de eigen bijdrage heeft de moeder bezwaar en beroep ingesteld. Bij uitspraak van 29 december 2003 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Dit heeft geleid tot terugbetaling van teveel betaalde eigen bijdrage. Appellant heeft daarmee een gedeelte van de schulden kunnen aflossen.

1.3. Reeds op 5 maart 2002 heeft appellant hulp gevraagd aan de Afdeling Sociale zaken van de gemeente Uden in verband met de schulden. Een medewerker van die afdeling heeft appellant een aantal keren gesproken, met hem afspraken gemaakt, de schulden geïnventariseerd, de afspraken gecontroleerd en ten slotte bezien of schuldhulpverlening aangewezen was. Hij heeft zijn bevindingen en werkzaamheden neergelegd in een rapportage van 6 september 2002. Volgens deze rapportage zijn betalingsregelingen getroffen met alle schuldeisers, waren twee vorderingen geheel afgelost in juli 2002 en bleef een schuld over waarvan de aflossing ruim viel binnen de aflossingscapaciteit van appellant. De laatste vordering, namelijk die van de Postbank, kon geheel worden afgelost door afkoop van de levensverzekering. In maart 2003 zou controle plaatsvinden. De medewerker is op basis hiervan tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van problematische schulden en dat appellant voldoende draagkracht heeft om de schulden af te lossen. Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden met toepassing van artikel 15 van de Algemene bijstandswet (Abw) afgewezen op de grond dat geen sprake is van problematische schulden en appellant voldoende draagkracht heeft om de schulden af te lossen.

1.4. Bij besluit van 14 april 2003 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2002 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van zeer dringende redenen die nopen tot bijstandsverlening.

1.5. Bij uitspraak van 23 maart 2004 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 april 2003 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak bevestigd bij uitspraak van 22 november 2005, LJN AU6610. Hij overwoog daartoe:

“Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Abw wordt degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet geacht te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellant ten tijde in geding over voldoende middelen beschikte om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Onder deze omstandigheden vormt het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Abw, ook naar het oordeel van de Raad, een beletsel voor verlening van bijstand voor gemaakte schulden.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde niet bevoegd was om appellant met toepassing van artikel 15, tweede lid, van de Abw tegemoet te komen. Van een afgewezen aanvraag om een schuldsaneringskrediet is immers niet gebleken en van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat blijkens de wetsgeschiedenis het bestaan van een grote schuldenlast in beginsel niet kan worden aangemerkt als een zeer dringende reden en dat de omstandigheid dat appellant beweerdelijk kosten heeft gemaakt ten behoeve van zijn zieke moeder evenmin is aan te merken als een zeer dringende reden, reeds omdat niet van dergelijke kosten is gebleken. Ook overigens is de Raad uit hetgeen appellant heeft aangevoerd niet gebleken van zeer dringende redenen op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid zou toekomen om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Abw, bijzondere bijstand te verlenen.”

1.6. Bij uitspraken van 15 november 2006, LJN AZ3480, en 17 juli 2007, 07/926 NABW, heeft de Raad verzoeken van appellant om herziening van zijn onder 1.5 genoemde uitspraak met toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

1.7. Op 4 februari 2009 heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, namens appellant onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb het college verzocht om terug te komen van het onder 1.3 genoemde besluit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat destijds wel sprake was van een zeer dringende reden om tot bijstandsverlening voor schulden over te gaan. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn dat de aard van de schulden volgt uit de onder 1.2 genoemde uitspraak en dat psycholoog-psychoanalyticus drs. J.P.M.A. Jans (psycholoog) bij appellant parentificatie heeft vastgesteld en de schuldenlast medisch onverantwoord acht. Afgezien is van het indienen van een nieuwe aanvraag. Het gaat appellant niet zozeer om hulp in het heden, maar om de erkenning dat het onder 1.3 genoemde besluit onjuist is.

1.8. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft het college het verzoek om terug te komen van het onder 1.3 genoemde besluit afgewezen.

1.9. Bij besluit van 17 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2009 ongegrond verklaard. Het college heeft verwezen naar de gronden van het besluit van 1.3 en overwogen dat de oorzaken van de schulden daarvoor niet van belang waren en zijn. Nieuwe informatie daarover kan daarom niet tot een andere beslissing leiden. De brieven die de gemachtigde van appellant op 4 en 5 november 2009 heeft gestuurd na de totstandkoming van het advies van de bezwaarcommissie, brengen hierin geen verandering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die het college noopten om bijzondere bijstand voor de schulden te verlenen. Voorts is de rechtbank niet gemotiveerd ingegaan op de aanvullende gronden van bezwaar, die het college niet in het bestreden besluit heeft betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.3.1. De vraag of de schulden problematisch waren, heeft volgens de onder 1.3 genoemde rapportage betrekking op de omvang van de schulden, de bevoegdheid om de schulden af te lossen, de identiteit van de schuldeisers en de mogelijkheid regelingen te treffen met de schuldeisers. De oorzaak van de schulden waarvoor appellant bijstand vroeg waren en zijn niet in geschil en ook niet van belang voor het onder 1.3 genoemde besluit. Dat appellant die oorzaak en alles wat daaruit voortvloeide als een groot probleem heeft ervaren, maakt de schulden niet problematisch in de zin van het besluit. Daarom is de onder 1.2 genoemde uitspraak, anders dan appellant betoogt, geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de hier bedoelde zin.

4.3.2. De diagnose van de psycholoog in zijn brief van 15 september 2006 vormt geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in de hier bedoelde zin. De psycholoog benoemt in die brief de oorzaak van het gedrag van appellant, leidende tot zorgen voor zijn moeder boven zijn mogelijkheden en de daaruit voortvloeiende problemen. In zoverre is van toepassing hetgeen onder 4.3.1 is overwogen. De psycholoog concludeert voorts dat de draaglast van de schulden de draagkracht in psychische zin overtreft en dat kwijtschelding de psychische problematiek van appellant verlicht en hem een gevoel van erkenning geeft. Dit gegeven werpt echter geen ander licht op het onder 1.3 genoemde besluit, nu dat berust op de grond dat de financiële draagkracht van appellant destijds toereikend was om de schulden af te lossen. Dit vormt daarom evenmin een zeer dringende reden als eerder bedoeld.

4.3.3. Nu dus aan het onder 1.7 genoemde verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin ten grondslag zijn gelegd, was het college bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het onder 1.4 genoemde besluit. Niet gezegd kan worden dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.4. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot hetzelfde oordeel gekomen en heeft daarbij de onder 1.2 genoemde uitspraak en de onder 4.3.2 genoemde brief van de psycholoog in ogenschouw genomen. Daarom faalt ook de klacht dat de rechtbank aan de aanvullende gronden van bezwaar is voorbijgegaan.

4.5. Hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R. Scheffer

ew