Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11-2877 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:1724, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Onroerend goed in Suriname. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. Appellante heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over het op haar naam staande perceel en de woning. Er zijn geen redenen om de op verzoek van de ambassade door een lokale beëdigde taxateur getaxeerde waarde van het perceel van € 120.000,-- en van het woonhuis van € 7.500,-- voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2877 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2011, 10/485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2012. Voor appellante is verschenen mr. F.O. Ligeon, opvolgend advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 januari 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Over de periode 1 juni 2005 tot en met 31 januari 2009 heeft zij tot een bedrag van € 3.467,05 bijzondere bijstand ontvangen.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante in Suriname onroerend goed bezit, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) van de gemeente Rotterdam, het Internationaal Bureau Fraude-Informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te laten stellen naar vermogen van appellante in Suriname. In dat kader heeft de Nederlandse ambassade te Suriname (ambassade) een onderzoek verricht. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen, zo blijkt uit de brief van de attaché voor Sociale Zaken van de ambassade van 11 november 2008, dat appellante eigenaresse is van een perceel ter grootte van 15.150,28 m², met een door een beëdigd taxateur getaxeerde waarde van € 120.000,--. Appellante is ook eigenaresse van een woonhuis op het perceel met een getaxeerde waarde van € 7.500,--. Vervolgens heeft de sociale recherche van SoZaWe nader onderzoek verricht, in welk kader appellante is verhoord. Het rapport van de sociale recherche is gesloten op 12 augustus 2009.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 juli 2009 de bijstand van appellante over de periode van 6 mei 2005 tot en met 31 december 2008 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 56.314,36 (bruto) van appellante terug te vorderen. Bij besluit van 24 juli 2009 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.427,78 (netto) teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 24 juli 2009, gewijzigd bij besluit van 28 juli 2009, heeft het college de bijstand van appellante per 1 juli 2009 beëindigd (lees: ingetrokken). Het college heeft voorts, bij besluit van 24 juli 2009, de aan appellante verstrekte bijzondere bijstand tot een bedrag van € 3.467,05 teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 25 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de in 1.3 genoemde besluiten ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante vanaf 6 mei 2005, de datum waarop een notariële akte van verkoop en koop van 29 april 2005 (koopakte) is ingeschreven in het hypotheekregister, beschikt over onroerend goed in Suriname met een waarde die de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt, dat appellante daarvan geen melding heeft gedaan aan het college en dat als gevolg van de overschrijding geen recht op bijstand bestaat. Er zijn volgens het college geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de eigendomsoverdracht nooit is beoogd en dat appellante en haar moeder in de veronderstelling verkeerden bij de notaris een testament te hebben opgemaakt. Appellante heeft onder druk van familie de koopakte ondertekend. Omdat appellante geen weet had van de eigendomsoverdracht, heeft zij ook de inlichtingenverplichting niet geschonden. Appellante heeft verder betoogd dat zij de koopsom van SRD 70.000,-- nooit aan haar moeder heeft voldaan en dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een schuld aan haar moeder van SRD 70.000,--. Onder verwijzing naar het in beroep ingebrachte taxatierapport van de door haar ingeschakelde makelaar, heeft appellante ook de vastgestelde waarde van het onroerend goed betwist. Ter zitting heeft appellante de Raad verzocht om haar moeder op te roepen als getuige.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Geen aanleiding bestaat om het verzoek van appellante in te willigen om het onderzoek ter zitting te heropenen om alsnog haar moeder als getuige te horen. Gelet op het late moment waarop dit verzoek is gedaan en in aanmerking genomen dat zich onder de gedingstukken al een schriftelijke verklaring van de moeder van appellante bevindt, wordt het verzoek afgewezen.

4.2. Het college heeft de intrekking per 1 juli 2009 niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Gelet op de andere in 1.3 genoemde intrekkingsbesluiten, waarbij de bijstand van appellante over de periode 6 mei 2005 tot en met 30 juni 2009 is ingetrokken, dient hier de periode 6 mei 2005 tot en met 24 juli 2009 te worden beoordeeld.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat in het hypotheekregister ter plaatse vanaf 6 mei 2005 grond en een woning aan de T[adres], district [naam district], in Suriname op naam van appellante staat. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 30 november 2010, LJN BO6528 en van 11 januari 2011, LJN BP0817) de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4. Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij in de te beoordelen periode niet redelijkerwijs kon beschikken over het op haar naam staande perceel en de woning. Niet staande kan worden gehouden dat appellante niet wist dat zij eigenaresse was van het perceel met woonhuis omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat bij de notaris in Paramaribo op 29 april 2005 een testament was opgemaakt. Uit de mede door appellante ondertekende koopakte blijkt dat de moeder van appellante op 29 april 2005 de volle eigendom van het onroerend goed aan appellante heeft overgedragen en geleverd. Uit de koopakte blijkt ook dat appellante, nadat de gehele akte aan haar was voorgelezen in de voor haar begrijpelijke Hindoestaanse taal, de akte heeft ondertekend. Dat appellante de koopakte onder druk van haar omgeving zou hebben getekend, dan wel de gevolgen van het ondertekenen van de akte niet heeft kunnen overzien, heeft appellante - wat hier verder ook van zij - niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Aan de in dit verband door appellante overgelegde verklaring van haar moeder van 30 december 2009 kan niet die waarde worden gehecht die appellante daaraan toekent, omdat deze verklaring achteraf is opgesteld en niet wordt ondersteund door objectiveerbare en verifieerbare gegevens. De enkele stelling van appellante dat de grond en de woning niet daadwerkelijk aan haar, maar aan haar familie toebehoren is ontoereikend.

4.5. Vaststaat dat appellante aan het college niet heeft gemeld dat zij in Suriname grond en een woning in eigendom heeft. Nu het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit gegeven van invloed kon zijn op haar recht op bijstand, heeft zij haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.6. Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat het college de aan haar moeder verschuldigde koopsom van SRD 70.000,-- in mindering had moeten brengen op het positieve vermogen, omdat zij de koopsom nog niet heeft voldaan. Uit de door appellante en haar moeder ondertekende koopakte blijkt dat appellante de gehele koopsom van SRD 70.000,-- aan haar moeder heeft voldaan. Appellante heeft het bestaan van een in aanmerking te nemen schuld niet aannemelijk gemaakt.

4.7. Er zijn geen redenen om de op verzoek van de ambassade door een lokale beëdigde taxateur op 20 oktober 2008 getaxeerde waarde van het perceel van € 120.000,-- en van het woonhuis van € 7.500,-- voor onjuist te houden. De makelaar die door appellante in beroep is ingeschakeld heeft de waarde van de woning op 28 september 2010 eveneens op € 7.500,-- getaxeerd, maar de waarde van het perceel op € 30.300,56. Dit komt neer op een grondprijs van € 2,-- per m². Blijkens de bij het taxatierapport gevoegde tabel, is de richtprijs voor grond aan de [adres] € 6,-- à € 8,-- per m². De veel lagere waardering van de grondprijs op € 2,-- per m² wordt in het door appellante ingebrachte taxatierapport niet verklaard.

4.8. Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.M. Overbeeke en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

NW