Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11-1658 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijzondere bijstand. Vast staat dat het college in het toekenningsbesluit per artikel heeft vermeld tot welk bedrag bijzondere bijstand wordt toegekend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat P. een toezegging heeft gedaan op grond waarvan appellante in de verwachting kon verkeren dat zij het aan de televisie uitgegeven bedrag van € 832,-- voor zover dat meer was dan het toegekende bedrag van € 250,-- kon compenseren door voor de andere apparaten lagere bedragen uit te geven dan daarvoor waren toegekend. Niet gebleken is dat het vastgestelde bedrag voor duurzame gebruiksgoederen onjuist is berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1658 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 februari 2011, 09/1008 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

Datum uitspraak: 18 december 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2012. Voor appellante is verschenen J.H. [P.], gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.M. Noordink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 januari 2009 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand toegekend voor duurzame gebruiksgoederen, te weten een gasfornuis tot een bedrag van € 340,--, een koelkast tot een bedrag van € 300,--, een televisie tot een bedrag van € 250,-- en een stofzuiger tot een bedrag van € 90,--.

1.2. Bij een huisbezoek op 26 februari 2009 heeft bijstandsconsulent M. van der [P.] (Van der [P.]) vastgesteld dat appellante een nieuwe televisie heeft, maar dat zij nog niet alle huishoudelijke apparaten heeft aangeschaft, waarvoor het college bijzondere bijstand heeft verleend. Het college heeft appellante bij brief van 27 maart 2009 verzocht om binnen vier weken na verzending van die brief nota’s met betaalbewijzen van de besteding van het geldbedrag waarvoor de bijstand is verstrekt over te leggen. Uit de door appellante ingediende aankoopnota’s blijkt dat zij op 4 februari 2009 een televisie van € 832,-- heeft aangeschaft en dat zij achtereenvolgens op 27, 28 en 31 maart 2009 een kookplaat van € 25,--, een stofzuiger van € 75,-- en een koelkast van € 175,-- heeft gekocht.

1.3. Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college een bedrag van € 455,-- aan te veel verstrekte bijzondere bijstand van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 10 augustus 2009 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een deel van de duurzame gebruiksgoederen heeft aangeschaft voor een lager bedrag dan waarvoor bijzondere bijstand is verstrekt. Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college een aanvullende beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II) en de bijzondere bijstand voor de kosten van een stofzuiger, een gasfornuis en een koelkast herzien in de onder 1.2 vermelde bedragen die appellante daadwerkelijk voor de goederen heeft uitgegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat het college bij het besluit van 14 april 2009 bijzondere bijstand heeft teruggevorderd zonder dat daaraan een voorafgaand herzieningsbesluit als bedoeld in artikel 54, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ten grondslag ligt, terwijl dat gebrek niet is hersteld bij bestreden besluit I. Voorts heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak bepaald dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit I volledig in stand blijven en heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB wordt bijzondere bijstand uitsluitend verleend voor noodzakelijk kosten.

4.2. De Raad is met de rechtbank en het college van oordeel dat de onder 1.2 vermelde bedragen die appellante feitelijk heeft besteed aan de aanschaf van een stofzuiger, een gasfornuis en een koelkast moeten worden aangemerkt als noodzakelijke kosten.

4.3. Bij het besluit van 26 januari 2009 heeft het college voor deze huishoudelijke apparaten in totaal € 455,-- meer toegekend dan appellante hiervoor heeft uitgegeven. In geschil is of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot herziening van de bij besluit van 26 januari 2009 toegekende bedragen. Appellante beroept zich op een telefonisch door Van der [P.] gedane toezegging inhoudende dat het in orde zou zijn indien appellante het in totaal voor de vier apparaten toegekende bedrag aan bijzondere bijstand volledig zou besteden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante naar voren gebracht dat hij zelf heeft gehoord dat deze toezegging is gedaan, omdat hij toen aanwezig was bij appellante en de telefoon op de speaker stond.

4.4. Vast staat dat het college in het toekenningsbesluit van 26 januari 2009 per artikel heeft vermeld tot welk bedrag bijzondere bijstand wordt toegekend. In de onder 1.2 genoemde brief van 27 maart 2009 staan deze bedragen nogmaals genoemd.

4.5. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van betrokkene uitdrukkelijke ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat Van der [P.] een toezegging heeft gedaan op grond waarvan appellante in de verwachting kon verkeren dat zij het aan de televisie uitgegeven bedrag van € 832,-- voor zover dat meer was dan het toegekende bedrag van € 250,-- kon compenseren door voor de andere apparaten lagere bedragen uit te geven dan daarvoor waren toegekend bij het besluit van 26 januari 2009. Appellante heeft enkel gesteld dat Van der [P.] heeft toegezegd dat appellante zelf mocht bepalen op welke wijze zij het totaal toegekende bedrag zou besteden, mits zij dat bedrag maar volledig zou uitgeven. Het college heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat uit navraag bij Van der [P.] is gebleken dat zij deze toezegging niet heeft gedaan. De gedingstukken bieden geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de door appellante gegeven weergave van de telefonische mededelingen van Van der [P.]. De omstandigheid dat de gemachtigde van appellante deze weergave bevestigt, is onvoldoende om vast te stellen wat Van der [P.] heeft gezegd. Niet uitgesloten is immers dat beiden het telefonisch besprokene anders hebben opgevat dan wat Van der [P.] daadwerkelijk heeft gezegd. Dat naderhand niet meer kan worden bepaald wat telefonisch is gezegd, komt voor rekening en risico van appellante.

4.6. Het betoog van appellante dat het college haar verkeerd heeft voorgelicht over de termijn waarop zij de goederen waarvoor de bijzondere bijstand was verstrekt moest aanschaffen slaagt niet. Het is juist dat deze termijn niet staat vermeld in het toekenningsbesluit van 26 januari 2009. Bij brief van 27 maart 2009 heeft het college appellante alsnog een termijn van vier weken gegeven voor de aanschaf alle genoemde goederen. Niet is gebleken dat appellante hiervoor onvoldoende gelegenheid heeft gehad. Haar laatste aankoop was immers op 31 maart 2009.

4.7. Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat het college de herziening van de bijzondere bijstand niet juist heeft vastgesteld. Appellante heeft, nadat haar daarvoor een termijn was gegeven, in haast een gebruikte koelkast en een gebruikte kookplaat gekocht. Deze apparaten moest zij kort daarna wegens niet goed functioneren vervangen. Daarom had het college volgens appellante op zijn minst rekening moeten houden met het aankoopbedrag van een nieuwe koelkast van € 399,-- en een nieuwe kookplaat van € 169,--. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het college bij de herziening van het aan appellante toegekende bedrag in redelijkheid rekening heeft kunnen houden met de aankoopbedragen van de koelkast en de kookplaat die zij het eerst heeft aangeschaft en waarop de bij besluit van 26 januari 2009 toegekende bijzondere bijstand betrekking heeft. Niet gebleken is dat het bij bestreden besluit II vastgestelde bedrag voor duurzame gebruiksgoederen onjuist is berekend.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uispraak komt voor bevestiging in aanmerking, voor zover aangevochten.

4.9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. de Jong

IJ