Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
11/2107 WWB + 11/2754 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijk hoofdverblijf, onweerlegbaar rechtsvermoeden. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding. Het college was bevoegd terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2107 WWB, 11/2754 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2011, 10/2570 en 10/2610 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak 18 december 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.F. van der Hardt Aberson, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellante heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2012. Voor appellant is verschenen mr. Van der Hardt Aberson. Voor appellante is verschenen mr. Haze. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 november 1984 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij stond vanaf 14 augustus 1986 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] te [gemeente] (adres 1).

1.2. Appellant stond in de GBA van 23 maart 1995 tot en met 2 januari 2000 ingeschreven op het adres [adres 2] te [gemeente]. Vanaf 3 januari 2000 stond hij ingeschreven op het adres [adres 3] te [gemeente] (adres 3).

1.3. Naar aanleiding van een anonieme tip, inhoudende dat appellante ieder jaar drie tot vier maanden in Suriname verblijft, dat op adres 1 een dochter van appellante woont die niet op dat adres staat ingeschreven en dat appellante samenwoont met appellant, heeft de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat de energienota’s voor adres 1 vanaf augustus 2006 niet door appellante maar door haar dochter en vriend zijn betaald en dat appellante sinds 2001 de parkeervergunning voor de auto van appellant betaalt. Het onderzoek is daarop overgedragen aan de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van SoZaWe (ABO) voor verder onderzoek. In dat kader hebben sociaal rechercheurs van de ABO dossieronderzoek verricht, informatie ontvangen van onder andere de belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de woningbouwvereniging en de nutsbedrijven, waarnemingen verricht bij adres 1 en adres 2 en appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 11 december 2009. Daarin heeft de ABO geconcludeerd dat appellanten in de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2009 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellante.

1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij vier afzonderlijke besluiten van 23 oktober 2009 en 11 december 2009 onderscheidenlijk:

- de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2009 te beëindigen (lees: in te trekken);

- de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2008 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode (bruto) van appellante terug te vorderen;

- de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2009 te herzien (lees: in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode (netto) van appellante terug te vorderen; en

- de op 1 december 1999 (lees: de over de periode van december 1999 tot en met maart 2008) aan appellante verleende bijzondere bijstand in te trekken en terug te vorderen.

1.5. Voorts heeft het college bij besluit van 11 december 2009 appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering en het volledige bedrag dat van appellante wordt teruggevorderd mede van hem teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 20 mei 2010 (bestreden besluit I) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de in 1.4 genoemde besluiten van 23 oktober 2009 en 11 december 2009 ongegrond verklaard. Bij besluit van 26 mei 2010 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het in 1.5 genoemde besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, de periode waarover wordt teruggevorderd beperkt van 17 december 1998 tot en met 30 september 2009 en de hoogte van de terugvordering dienovereenkomstig aangepast. De besluitvorming berust op de overweging, samengevat, dat appellante, zonder daarvan bij het college melding te hebben gemaakt, vanaf juli 1997 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant en dat zij door de gezamenlijke huishouding niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt, zodat zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.1. Appellante betwist dat zij heeft samengewoond met appellant. Zij heeft aangevoerd dat in haar woning geen persoonlijke spullen van appellant aanwezig zijn en dat zij extra verzorging nodig heeft die voornamelijk door haar kinderen, maar ook door appellant, wordt geboden en dat uit de omstandigheid dat haar kinderen en appellant geregeld bij haar over de vloer komen niet kan worden afgeleid dat zij een gezamenlijke huishouding voert met appellant.

3.2. Appellant betwist dat hij zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Hij wijst erop dat sprake was van gescheiden woonadressen. Hij heeft aangevoerd dat er geen bewijs is dat hij structureel heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding en dat appellanten alleen nog contact hebben over de gezamenlijke kinderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor een overzicht van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De te beoordelen periode loopt van 1 juli 1997 tot en met 23 oktober 2009.

4.2. Niet in geding is dat appellant de twee jongste kinderen van appellante, [Y.] en [C.], geboren [in] 1977, onderscheidenlijk 16 december 1980, heeft erkend als zijn kinderen. Dit betekent dat, gelet op artikel 4, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet en artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding bepalend is of appellanten gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Omdat zij samen kinderen hebben, is niet van belang of ook sprake is van wederzijdse zorg. Om die reden blijven de gronden van appellant die zien op het aspect van wederzijdse zorg, zoals de bijdrage in de kosten van de huishouding, buiten bespreking.

4.3. Anders dan appellant kennelijk meent, hoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 1 november 2011, LJN BU3259) op zichzelf niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan, omdat de feitelijke situatie en niet de registratie in de GBA bepalend is.

4.4. De verklaringen die appellanten ten overstaan van sociaal rechercheurs hebben afgelegd, bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, te weten de woning op adres 1. Appellante heeft verklaard dat zij vanaf haar vestiging op adres 1 samenwoont met appellant en dat appellant zijn hoofdverblijf bij haar heeft, maar niet op haar adres staat ingeschreven “(…) want als je een uitkering ontvangt, dan kan dat niet, want dan krijg je geen uitkering meer. Wij hebben er toen over gesproken en toen heeft mijn man ([H.]) zich bij onze dochter op de [adres 3] laten inschrijven”. In het tweede verhoor op die dag heeft appellante verklaard dat zij bij haar eerste verklaring blijft. Voorts heeft zij, nadat haar de begrippen gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf zijn uitgelegd en zij heeft bevestigd dat zij deze termen begreep, verklaard dat het vermoeden van SoZaWe dat zij een gezamenlijke huishouding met appellant voert op adres 1, juist is. Appellante heeft haar verklaring, na voorlezing daarvan, per pagina ondertekend. De verklaringen van appellante vinden bevestiging in de verklaring van appellant die hij op 3 november 2009 heeft afgelegd. Na aanvankelijk te hebben ontkend met appellante een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd, heeft appellant verklaard dat hij samen met appellante een gezamenlijke huishouding voert, zeker vanaf de vestiging van appellante op adres 1. Hoewel hij vanaf 2000 veel weg is naar Suriname, heeft hij, zo heeft hij verklaard, eigenlijk zijn hoofdverblijf op adres 1. Ook appellant heeft zijn verklaring, na voorlezing daarvan, per pagina ondertekend.

4.5. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Er bestaat geen aanleiding hiervan in dit geval af te wijken. De stelling van appellante dat zij door haar medische toestand niet in staat was om op een goede manier te verklaren of haar verklaring door te lezen, vindt geen bevestiging in de door haar overgelegde medische stukken. Afgezien daarvan is van belang dat appellant de verklaring van appellante heeft bevestigd.

4.6. De stelling van appellante dat appellant bij haar verbleef, omdat zij extra verzorging nodig had, is voor de beoordeling van de vraag of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden niet van belang. Bij de beoordeling van de vraag of een gezamenlijke huishouding bestaat, spelen de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daarover en het motief voor het voeren van een gezamenlijke huishouding geen rol.

4.7. De stelling van appellante dat geen persoonlijke spullen van appellant in haar woning op adres 1 aanwezig waren, leidt evenmin tot de conclusie dat geen sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf op adres 1, reeds omdat deze stelling niet verifieerbaar is. Een huisbezoek heeft niet plaatsgevonden, ook niet op 13 oktober 2009, toen appellante in haar woning werd aangehouden. Op die datum is de sociale recherche weliswaar de woning van appellante op adres 1 binnengetreden, maar uitsluitend met het doel appellante aan te houden. Uit het proces-verbaal van het binnentreden in de woning valt niet af te leiden dat haar woning bij die gelegenheid is doorzocht en evenmin dat toen is vastgesteld dat in de woning geen persoonlijke spullen van appellant aanwezig waren.

4.8. Het enkele feit dat appellant veelvuldig in het buitenland verbleef, doet er niet aan af dat, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd, appellant zijn hoofdverblijf heeft behouden in [gemeente]. Gelet op 4.4 tot en met 4.7 was dat in de woning van appellante op adres 1.

4.9. Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat appellanten in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarvan heeft appellante geen melding gemaakt aan het college. Dit betekent dat appellante in deze periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college was daarom op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over de te beoordelen periode in te trekken.

4.10. Uit 4.9 vloeit voort dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van de aan appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 september 2009 verleende bijstand terug te vorderen. Tevens was het college op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd die kosten, voor zover het betreft de periode van 17 december 1998 tot en met 30 september 2009, mede van appellant terug te vorderen. De wijze waarop het college van deze bevoegdheden gebruik heeft gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

4.11. Uit 4.9 en 4.10 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) N.M. van Gorkum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

KR