Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
11-2851 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering langdurigheidstoeslag. Appellante had gedurende een gedeelte van de door het college gehanteerde referteperiode een inkomen boven de bijstandsnorm. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de ter uitvoering van onder meer artikel 36 van de WWB vastgestelde Verordening is bepaald dat onder laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WWB moet worden verstaan inkomen dat niet hoger is dan de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm. Uit deze bepaling volgt dat, anders dan appellante heeft betoogd, het college geen rekening hoefde te houden met een vrij te laten bedrag boven de bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2851 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen het proces-verbaal mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 februari 2011, 10/3824 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 18 december 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.V. Hendriksen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2012. Voor appellante is verschenen mr. Hendriksen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1.De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 14 mei 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%, aanvankelijk van het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen en vanaf 2 november 2009 van het college. Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen heeft bij besluit van 1 september 2009 de bijstand van appellante over de periode van 23 maart 2009 tot en met 30 juni 2009 tot een bedrag van € 570,28 netto herzien en dat bedrag teruggevorderd wegens inkomsten uit arbeid, waarvan appellante geen mededeling had gedaan aan het college. Het teruggevorderde bedrag is na 1 januari 2010 gebruteerd met een bedrag van € 273,38.

1.2. Begin maart 2010 heeft appellante bij het college een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 9 april 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 19 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2010 ongegrond verklaard. Volgens het college voldoet appellante niet aan het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening langdurigheidstoeslag Rotterdam 2009 (Verordening) gestelde vereiste dat zij een inkomen heeft dat niet hoger is dan de voor haar toepasselijke bijstandsnorm, aangezien zij in de periode van 23 maart 2009 tot en met 30 juni 2009 feitelijk gezien meer inkomsten heeft gehad dan de bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ter zitting is vastgesteld dat appellante ten tijde van het bestreden besluit nog niet het gehele over de periode van 23 maart 2009 tot en met 30 juni 2009 teruggevorderde bedrag aan bijstand had terugbetaald. Dit betekent dat zij gedurende een gedeelte van de door het college gehanteerde referteperiode een inkomen had boven de bijstandsnorm.

4.2. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, verleent het college een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de ter uitvoering van onder meer artikel 36 van de WWB vastgestelde Verordening is bepaald dat onder laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WWB moet worden verstaan inkomen dat niet hoger is dan de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm. Uit deze bepaling volgt dat, anders dan appellante heeft betoogd, het college geen rekening hoefde te houden met een vrij te laten bedrag boven de bijstandsnorm.

4.3. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij in moeilijke financiële omstandigheden verkeert en dat zij daarom de langdurigheidstoeslag over het jaar 2010 niet kan missen. Deze omstandigheid, wat daar verder ook van zij, kan er niet toe leiden dat het college in strijd met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening diende over te gaan tot het verstrekken van de door appellante gevraagde langdurigheidstoeslag.

4.4. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.M. Overbeeke en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2012.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

RB